![]() |
||
| Recensie uit het Parool, door Brit Stubbe.
Schrijnend afscheid van Tröckener Kecks
'Als ik 's nachts langs jouw huis loop, en de lichten zie branden,
denk ik nooit meer aan jou.'' Rick de Leeuw stopt na deze zin even
met zingen en kijkt ontroerd de zaal in. Waar meer dan duizend fans
zingen: ''Nooit meer aan jou.'' Terwijl ze, net als in het fraaie
ontkennende liefdeslied van Tröckener Kecks juist het omgekeerde
bedoelen.
Het is zo'n moment dat in een geslaagde afscheidstournee niet mag
ontbreken. De band toont zijn liefde voor het publiek en het publiek
beantwoordt die. De uitwisseling van genegenheid op kerstavond in
Paradiso duurt meer dan twee uur.
Beide partijen hebben het verdiend. De hardcore-fans hebben de
Amsterdamse band jarenlang bewonderd en aan de tot op de draad
versleten tour-T-shirts te zien, zijn er deze avond zelfs velen die
de Kecks al vanaf de begindagen kennen.
De meeste eer gaat natuurlijk naar de Kecks zelf, die twintig jaar
lang vol overgave in elk lullig zaaltje van Nederland speelden - van
Delft tot Dordrecht, van Drachten tot Delfzijl. In de laatste plaats
dronk deze recensent voor het eerst bier uit plastic glazen, tijdens
een festivalletje waar de Tröckener Kecks het onbetwiste hoogtepunt
van waren.
Het was vooral Rick de Leeuw die imponeerde, met zijn stoere
voorkomen en tegelijkertijd gevoelige teksten. En met die wat
vreemde, maar prachtig rauwe stem. Maar het was niet alleen de
zanger die de aandacht trok. Dat deed ook bassist Theo Vogelaars,
steevast met rode baret, die speelde of zijn leven ervan afhing.
Tussen beiden was een wonderlijke chemie, een feest om naar te
kijken.
Beide heren staan deze avond weer naast elkaar, voor de allerlaatste
keer in Paradiso. Maar de chemie is nu, vlak voordat het doek valt,
verdwenen. De vriendschap lijkt zelfs voorbij te zijn.
Al willen de bandleden het hoe en waarom van het afscheid niet uit
de doeken doen, Vogelaars liet zich er in een interview (met NRC
Handelsblad) toch over uit: ''Ik ben er meer kapot van dan als een
meisje het uitmaakt. Op een bepaalde manier is me een enorme streek
geleverd.'' Hij gaf toe dat er spanningen zijn tussen hem en De
Leeuw.
Dat zulke uitlatingen gevaarlijk zijn ten tijde van een
afscheidstournee is pijnlijk duidelijk. Vogelaars staart voortdurend
naar de grond, terwijl De Leeuw veel blikken uitwisselt met de
andere bandleden, maar Vogelaars haast niet aankijkt. Het publiek
voelt diens pijn en roept regelmatig, soms dwars door een nummer
heen, de naam van hun geliefde bassist.
Toch spelen de Kecks alsof hun leven ervan afhangt. Doe alles wat je
doet met hart en ziel is dan ook altijd hun credo geweest. Na vier
toegiften loopt Vogelaars het eerst van het podium af, hij lijkt
gebroken te zijn. Als de lichten al aangaan, komt de band
onverwachts opnieuw op. Een enorm gejuich stijgt op wanneer
Vogelaars en De Leeuw, innig gearmd en geroerd, toch samen afscheid
nemen.
Een uur later treffen we De Leeuw in de kleedkamer. Wanneer hij
vraagt hoe ik het optreden vond, zeg ik: ''Mooi, maar gespannen.''
Zijn gezicht betrekt even, waarna hij toch besluit iets te zeggen:
''Spanningen tussen mij en Theo? Niet echt. Het is gewoon altijd
moeilijk, die laatste optredens.''
Drie dames uit Limburg weten wel beter en zij komen hun held zeggen
hoe opgelucht ze waren dat hij nog even samen met Vogelaars opkwam.
''Echt hoor Rick, anders hadden we niet kunnen slapen.''
Boven in de hal zien we Vogelaars nog de laatste T-shirts van de
Kecks slijten. Voor hem geen biertjes in de kleedkamer. Nog twee
optredens elders in het land en zijn band is dood.
| ||