Recensie van het concert in het Vondelparktheater , door Anjo v/d Wal

Kecks in het Vondelpark
Het is 28 mei 2000. Op het programma staan een bezoek aan Stairway To Heaven in Utrecht in het kader van de Rolling Stones fanclubdag en een optreden van Tröckener Kecks maar dan in het Vondelpark. Ik besluit de middag in tweeën te delen en dus verlaat ik om half drie, als de band, die in Stairway Stonesnummers zal spelen, haar spullen nog maar uitpakt, Stairway om vanaf het Centraal Station de trein naar Amsterdam te pakken.
Het is echter zeer slecht weer. Veel, heel veel wind en af en toe een regenbuitje. Lekker moment om een groep op een Openluchttheater te zien spelen. Met tram 5 rijd ik richting Leidseplein. Twee Australische meisjes probeer ik duidelijk te maken wie de Tröckener Kecks zijn. Vanaf het Leidseplein in het dan nog niet opengebroken Amsterdam loop ik via de Stadhouderskade naar het Vondelpark. Een roodwit lint moet iets duidelijk maken, wat ik in mijn enthousiasme nog niet door heb. Een vrouw met donker haar en bruine ogen komt voor hetzelfde als ik en negeert brutaal het lint, door er onderdoor te lopen. Ziezo. Zij staat in het Vondelpark. Ik besluit haar voorbeeld maar te volgen en kom op dezelfde wijze achter het lint. Maar dan komt oom agent naar ons toe om ons duidelijk te maken, dat dat lint toch zeker een betekenis heeft en er niet voor niets hangt.
Het concert gaat niet door. Het Vondelpark is afgezet. Er zijn al drie bomen omgewaaid. Teleurgesteld gaan we terug. In Black & White lik ik mijn wonden.

Het is precies een jaar later. Het is 3 juni en de Tröckener Kecks staan opnieuw geprogrammeerd in het Vondelpark en het tafereel herhaalt zich: regenbuitje, veel wind, kou, kortom wisselvallig weer. Geplaagd door twijfel besluit ik het Vondelpark te bellen om te vragen of het optreden toch echt wel doorgaat. Aan de telefoon hoor ik echter een bandje, dat me de gelegenheid laat om na de pieptoon een boodschap in te spreken, "..maar eerst is hier het programma van vanmiddag.." Het bandje meldt de opening van het theaterseizoen in het Vondelpark met na de vermelding van twee te verwaarlozen programmaonderdelen "om 16.00 uur: de Tröckener Kecks." Niets uit het bandje wijst op niet doorgaan en als de pieptoon dan eindelijk heeft geklonken, besluit ik het bandje in te spreken. Ik zeg, dat ik bij het zien van de weersomstandigheden twijfel aan doorgaan van het programma en vermeld tweemaal mijn telefoonnummer voor het geval men mij hierover terug wil bellen. Ik wacht het antwoord echter niet af, maar kijk naar De Dijk op de televisie. Van hen wordt een Pinkpopoptreden van vorig jaar uitgezonden. Daarna zorg ik zo snel als ik kan op het Centraal Station in Den Haag te staan om een trein naar zo'n zelfde station in Amsterdam te nemen.

In Amsterdam pak ik de tram die mij, dit keer omgeleid over de Rozengracht, weer naar het Leidseplein brengt. Ik heb haast en loop snel naar het theater. Het concert is al begonnen. Ik sluit aan de zijkant vlak voor het podium aan. Aan de zijkant staat de immer trouwe merchandising als een Albert Cuyp of Haagse Markt kleding in maten en soorten, balpennen, cd's, boeken en video's aan te prijzen. Maar dat is voor straks. Eerst is daar de muziek van het podium. Een man naast me meldt, dat dit al het derde liedje is, maar het eerste heeft ook hij gemist. Oud en nieuw werk wisselen elkaar af. Drie van de vijf leden zijn keurig in het pak gehesen. Rick de Leeuw in het zwart met een roze overhemd aan. Philip Tilli, de gitarist, in een streepjespak met een lichtgeel overhemd aan. Als ik hem links in het vizier krijg (ik loop iets meer naar het midden van de voorkant) Rob van Zandvoort achter toetsen in een donkerblauw pak met oranje, tegen rood aan, overhemd. Geen van de heren draagt een stropdas, maar verder is de kleding puntgaaf. Theo Vogelaars op bas en drummer Gerben Iebelings zijn de enigen, die niet aan die poppenkast meedoen. Onder de liedjes herken ik ineens Souvenir, dat ik eerder nog nooit heb horen uitvoeren op de bühne. Doordat ik thuis het liedje een ontelbaar aantal malen heb gehoord, kan ik de woorden zo meezingen. En zingen doe ik daar in het Vondelpark, maar ik niet alleen.

SOUVENIR
WIJ HADDEN ONS IN CAIRO AL GERUIME TIJD VERVEELD
TOEN WIJ DAAR OP EEN MIDDAG PLOTS STUITTEN OP EEN BEELD
HET WAS EEN GRUWELIJK MONSTER DAT VROEGER WATER SPOOG
HET BEET ZICH IN DE HAND VAST VAN IEDEREEN DIE LOOG
IK RIEP DAT IS HANDIG NU ZULLEN WIJ EENS ZIEN
OF WIJ WEL ECHT VERLIEFD ZIJN OF HUICHELEN MISSCHIEN
IK STAK DUS MIJN HAND IN DE OPEN MUIL EN IK ZEI
IK HOU VAN MARIA EN MARIA HOUDT VAN MIJ
HET LAAT ME MAAR NIET LOS
IK KREEG EEN SCHOK ZAT VAST
EN IK KEEK HAAR VERBIJSTERD AAN
ZE ZEI NOU JE WEET HET EN ZE LIET ME IJSKOUD STAAN
IK TROK AL SNEL DE AANDACHT WERD OPVALLEND DRUK BEZOCHT
MEN IS MIJ NA GAAN MAKEN EN MIJN BEELD WORDT VEEL VERKOCHT
IK BEN EEN SOUVENIR EEN SIERAAD OP DE SCHOUW
EN MISSCHIEN BRENGT EEN TOURIST MIJ WEER TERUG BIJ JOU
HET LAAT ME NIET MEER LOS
HET LAAT ME NIET MEER LOS

Natuurlijk ontbreken ook de liedjes van het laatst verschenen album niet. Winnaars, verliezers, Op de vlucht, Niemand thuis, Meer niet en Hakken in het zand. Veel te veel water bevat weer lekker ouderwets het mooie toonladdertje naar beneden op het toetsenwerk van Van Zandvoort en het intense pingelwerk, dat daar op volgt. Het mooie sterrendecor is voor in de zaal. Het door daglicht beschenen Vondelparktheater is daar ongeschikt voor. Voor Amoureus gebied zorgt het publiek weer voor het stemmig scanderen van de langste songtitel aller tijden. Rillingen bij het tussen jou en mij. Na het laatste "alsjeblieft" roept Rick weer spontaan "dankjewel!" Onder de oudjes horen we weer Czaar Peterstraat (een straat in Amsterdam) en, eveneens van De Jacht, het van een lang manisch intro voorziene De Jacht Is Mooier Dan De Vangst, waarbij Tilli zijn donkerrode gitaar bijna aan barrels speelt. Reden waarom hij voor het volgende nummer een andere, dit keer donkerbruine gitaar krijgt. In het daarop volgende nummer is de rode weer gerepareerd en gaat hij die weer gebruiken Het is een kwestie van snaren.
Een liedje wordt beëindigd. Iemand roept iets naar Rick en Rick reageert spontaan. Maar dan gebeurt er ineens niets meer. De groep is stilgevallen en doet niets. Het publiek is verbaasd. Rick loopt slungelachtig wat heen en weer, maar blijft het meest staan. Het publiek wordt ongeduldig en scandeert "Spelen!" Maar dat gebeurt niet.
Ik lach er maar eens om, want ik was er in Delft al bij. Aan mijn buurvrouw leg ik snel uit, wat de zin van dit toneelspel is en wat het volgende liedje zal zijn, dat volkomen in overeenstemming is met wat hier gebeurt...of beter gezegd: niet gebeurt. De tijd verstrijkt...we weten, dat het nu gebeuren moet. Het publiek wordt ongeduldiger. Toch doet de groep niets en blijft het angstig stil..stil..stil..Twee tikjes met de sticks van de drummer vormen dan eindelijk een opmaat naar Nu of nooit. "Luister naar de tekst," moedig ik mijn buurvrouw aan.

De tijd verstrijkt, we weten dat het nu gebeuren moet
Toch zeg ik niets en blijft het angstig stil

Tot een uur of zes duurt het optreden, waarin de groep het beste van zichzelf geeft. Tilli doet een gitaarsolo, waarbij nu werkelijk geen enkele snaar meer op de gitaar blijft zitten. Hij zorgt in een nummer ook nog voor een blues. Ik denk nooit meer aan jou krijgt in het publiek weer een mooi achtergrondkoortje. Rick de Leeuw bedankt iedereen in het publiek weer, door ons stuk voor stuk aan te wijzen: "..jou en jou en jou en jou en jou natuurlijk en jou en jou en jullie daar en jou ook en jou en jou..." Dan heeft hij ze allemaal gehad en zit het karwei er op.
"Hij is mij vergeten," zegt het meisje naast me. Hoe kon dit gebeuren! Rick kan toch wel tellen en rekenen en hij ziet toch wie er voor hem staan! Precies op het moment dat de groep verdwijnt, komen de eerste regendruppels naar beneden. Wat een timing. De groep komt terug. "Jullie zijn er nog! Dank je wel! Jullie zijn zo ongelooflijk lief voor ons! Kom een beetje dichterbij onder de afkap. Mensen met de paraplu's mogen zeker niet weg!" Dan ziet hij plotseling het meisje staan, dat zich overgeslagen voelde. "Ik was jou helemaal vergeten!" roept hij. De groep doet er nog een paar en verdwijnt dan uit het zicht, terwijl bassist Theo naar het verkoopkraampje springt. Er is heel wat te koop. Singles, albums, een video uit de tijd van Het Grote Geheim, T-shirts in allerlei maten, tot kindermaatjes aan toe. Handig als je niet de grootste bent. Ik probeer aan iemand uit te leggen, waar het prijsverschil met de winkel van met name de cd's vandaan kan komen. Een verschil lijkt me, dat de verkopen niet aan de belastingen worden opgegeven of dat in ieder geval geen belasting wordt betaald. Een ondernemer heeft, behalve met omzetbelasting, ook met vennootschapsbelasting, met inkomstenbelasting en, als hij een hele grote is, met vermogensbelasting te maken. Bij deze "markt verkopen" wordt waarschijnlijk nergens een fiscale grens bereikt. Maar het lijkt me sterk dat hier ook maar iets wordt opgegeven. Het geld is waarschijnlijk al opgezopen, voor het is binnengehaald.

Mooie spullen, prachtige spullen. De cd's heb ik allemaal al. De singles ben ik niet in geïnteresseerd. T-shirts vind ik ook niet nodig. Ik zag Ricks boekje De laatste held. Maar ik zag er nog één, van ex-Kecks-drummer Leo Kenter, die ook voor een belangrijk deel heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de liedjes. Het boek van Leo heet De Kameleons. Leo was ooit, om een verder voor mij onverklaarbare reden, het populairste groepslid. Iemand deelt mij mee, dat het ene boek verder gaat, daar waar het andere ophoudt. Ik heb alleen Rick de Leeuw op Crossing Border horen voorlezen uit zijn eigen boek. Het bleek echt om een autobiografie te gaan, waarin voor de verhalende vorm, wel de namen zijn veranderd en mogelijk nog meer is "verduisterd". Het verhaal over een kostschooljongetje, dat voetballer wil worden. Het boek van Leo gaat over een band als de Tröckener Kecks, maar dan onder de naam De Kameleons. Beide boeken kosten in totaal.. 60,--, dus ik laat nog wat tijd voorbijgaan voor ik tot aankoop besluit. Iemand koopt een balpen met de naam van de groep er op gegraveerd. De pen blijkt niet te schrijven. Het meisje in de kraam roept Theo en meldt de onvolkomenheid van de pen. Theo probeert de pen op zijn schoen uit. Alles waar maar op geschreven kan worden, wordt uitgeprobeerd. Uiteindelijk wordt het probleem opgelost. Ondertussen gebeurt er ook nog wel wat in een ruimte achter het podium. Een groep mensen hangt om Rick de Leeuw heen, die nog steeds hetzelfde pak aan heeft, maar zijn roze overhemd verwisseld heeft voor een lichtblauwe. Een laag deurtje vormt de toegang naar deze backstage ruimte. Het deurtje wordt bewaakt. Twee mensen komen langs om zich de toegang te verschaffen tot deze ruimte. Eén van hen heeft een camera bij zich en loopt me bijna omver. Ik overweeg nog steeds wat te doen bij het kraampje, bekijk de video eens, concludeer dat deze aan actualiteit verloren heeft en besluit tot aankoop van de twee boeken. Voor het meisje, dat verkoopt, een wat onverwachte beslissing, zo lijkt het. "Ja, beide boeken zijn één geheel, is mij verteld," motiveer ik mijn beslissing. "Ik koop alvast Deel I en Deel II. Dan heb ik die uit als Deel III verschijnt."
Niet iedereen koopt wat ik koop. Iemand heeft een single gekocht met een nummer van het album er op. "Je moet het hele album hebben," raad ik hem aan. "Heb ik," zegt hij. "Maar er staan hier nog vier nieuwe nummers op." Ik denk na en zeg: "Dat is wel iets voor een cd-wisselaar." "Precies," antwoordt de jongen. Ik zie Rick achterin nog bedenkelijk naar me kijken, terwijl andere mensen bij hem staan. Het wordt tijd om het Vondelpark te verlaten, want mijn maag begint ook alweer te rammelen.

De weg om het Vondelpark te verlaten is lang, want ik wil het eens langs de weg doen, waarop ik binnengekomen ben. Maar die weg is niet te vinden en dus kom ik, na een lange wandeling, weer gewoon in een woonbuurtje uit die mij naar de Overtoom voert als in voorgaande jaren. Over de Overtoom rijden diverse trams, o.a. naar het Centraal Station. Maar aan de Overtoom is ook wel wat bedrijvigheid behalve dat er gewoond wordt. In sommige panden zijn winkels, in andere hopelijk een café of restaurant. Mijn oog valt op Adis Abbaba, een Ethiopisch restaurant, waar ik jongeren achter een groot bord met pannenkoekstukken zie zitten. De pannenkoek is dus als een taart in stukken gesneden en gevuld met datgene, wat op de menukaart terug te vinden moet zijn. De menukaarten hangen voor het raam en ik kijk even of ik hier mijn honger wil stillen. Voor minder dan twintig gulden kun je hier al je maag vullen. Dat is goed nieuws.
Ik besluit naar binnen te stappen en meld me bij een Ethiopische vrouw, die zich heel bescheiden als gastvrouw presenteert. Alsof het zo ongewoon is, dat in dit restaurant zich ook Nederlanders als klant melden. Nou, bij het raam zitten er al een paar. Ik vraag om een tafel voor één persoon. Het restaurant heeft wat weg van een familiebedrijfje want een groepje Ethiopische mensen zit in een hoek aan tafel. Ook voor het personeel is het natuurlijk etenstijd, maar de zaken gaan gewoon door. Een jong Ethiopisch meisje, niet ouder dan tien jaar en eerder jonger, staat er op mij de menukaart te overhandigen.
De vrouw die mij ontving gaat daarna met het meisje aan tafel zitten, waar nog een wat drukker en jonger jongetje zit, dat zich vrij ongedurig en onrustig toont en door de anderen nog wel eens vermaand moet worden. Een andere vrouw en een man maken nog deel uit van het gezelschap, dat aan tafel zit. Niet alleen in die hoek is de tafel bezet. Aan meer tafels zitten mensen. 's-Avonds om tien voor zeven is dat natuurlijk niks vreemds. Verderop tegen de muur aan zitten een Europese, mogelijk Nederlandse vrouw en een Ethiopische man tegenover elkaar en verder naar voren bij het raam dus de jongeren met de in stukken verdeelde gevulde pannenkoek.
Ik open de menukaart en begin meteen de eerste bladzijde te lezen. Daar vind ik namelijk een beschrijving van een Ethiopische eetgewoonte. Eerst wordt gemeld dat Addis Abbaba, de naam van de Ethiopische hoofdstad, "wilde bloemen" betekent. Dan staat er iets algemeens over de opdiening en het verorberen van Ethiopische gerechten. De gerechten, bestaande uit een combinatie van groenten, rund-, varkens-, of kippenvlees en pittige kruiden, worden in een pannenkoek gewikkeld en men eet die met de rechterhand. Voor en na het eten moet je je handen wassen. Toevallig zit ik dicht bij het toilet met wastafel, maar aangezien het niet zo'n groot restaurant is, is de toiletruimte voor iedereen goed bereikbaar. De gerechten zijn inderdaad een koopje. Voor prijzen variërend van achttien tot drieëntwintig gulden kan men goed en lekker eten en vult men zijn maag, als ik zo eens naar de gerechten op de kaart kijk. Ik maak mijn keuze bekend aan de Ethiopische gastvrouw. Een man in een witte jas beheert de keuken. Voor de gesloten keuken, waar de gerechten worden bereid, is nog een klein betegeld keukentje met spoelgedeelte. De gastvrouw heeft op mijn verzoek twee biertjes voor me geserveerd. Ondertussen kijk ik wat rond in het Ethiopisch ingerichte restaurant, dat aan de wanden van leuke, eenvoudige versiering is voorzien. Foto's aan de muur laten wat van de bevolking zien. We zien op één ervan een man in een gewaad en een hoofdbedekking naast een dromedaris afgebeeld. Er klinkt wat lichte stemmige Afrikaanse muziek in het restaurant. In het keukentje gaat de telefoon. Die wordt door de man met de witte jas beantwoord. Hij krijgt hiervoor niet lang de gelegenheid, want het ongedurig rondscharrelende jongetje wil ook door de hoorn spreken. Met zijn handjes houdt hij de hoorn vast en spreekt door het spreekgedeelte. Hierna geeft hij zijn zusje (we nemen tenminste maar aan, dat dat zijn zusje is) de gelegenheid om door de telefoon te spreken en ook enige anderen. Nog voor mijn maaltijd wordt opgediend, komt voor het gezelschap in de hoek een schaal met een hele grote gevulde pannenkoek op tafel. De gastvrouw gaat met het jongetje naar de wastafel in het toilet voor het rituele handen wassen. Als iedereen aan tafel zit haalt het jongetje er ook de man met de witte jas bij, die van hem voor het eten even zijn werk moet onderbreken. Voor het eten lijkt een soort gebed gepreveld te worden. De man in de witte jas, die nu met zijn rug naar me toe naast het jongetje zit, zegt over hem: "Hij is lief, hè?" Hij blijft niet lang aan tafel zitten, want hij moet weer naar de keuken en aan het werk. Niet lang daarna wordt mijn maaltijd opgediend.

"Wilt U mes en vork erbij of wilt u met uw handen eten?" vraagt de man wat aarzelend aan me.
"Mes en vork graag," antwoord ik.
Achter me zijn Engelsen komen zitten, waarvoor ik ietsje naar voren schuif met mijn stoel. Het is een jong paar, dat ook besloten lijkt te hebben de Ethiopische kookkunst te proberen.

Het bestek wordt me even later gebracht. Voor me ligt een bord met twee pannenkoeken, waarvan één gevuld is met het gerecht. Daarachter een tweede bord, waarop twee gevouwen bruine lappen liggen en ik denk dat het servetten zijn. Nadere inspectie leert, dat de bruine lappen ook pannenkoeken zijn en tijdens het eten probeer ik het gerecht in gelijke porties over de vier pannenkoeken te verdelen. Het eten met mes en vork bevalt me prima, hoewel ik ook moeite had kunnen doen me in te leven in een uitheemse eetgewoonte. Aangezien de pannenkoeken niet warm zijn, wordt het me duidelijk, dat de pannenkoek eigenlijk de vork is, waarmee het eten naar binnen gewerkt wordt. Tegelijk is de pannenkoek zelf een spijs en niet alleen de doek, waarin het eten gewikkeld is. Slim en inventief bedacht. Hoewel de eetgewoonte uit een Derde Wereld land of ontwikkelingsland afkomstig is, is het duidelijk dat we hier meer te maken hebben met een element uit cultuur of beschaving als met een primitieve eetgewoonte. Ik krijg het gevoel iets geleerd te hebben.

Als ik na het eten om de rekening vraag, wordt die me op een schoteltje gepresenteerd met daarbij twee dikke pepermuntjes. Niks nieuws. De bediening in dit eenvoudige restaurant is smaakvol en verzorgd. De Afrikaanse mensen in de hoek zijn inmiddels weggegaan. Nu en dan heb ik wel eens iemand naar de spoelbak zien gaan. De Ethiopische man, die bij de Europese vrouw hoort, observeert mij in het langsgaan aandachtig. De taal, waarin door de Ethiopische mensen gesproken werd, is afwisselend Nederlands en een andere taal, waarvan we maar uitgaan, dat die wel Ethiopisch zal zijn. Als ik het restaurant heb verlaten zie ik iets verder op de Overtoom een winkel met in de etalage een kaart van een deel van de wereld. Nederland is daarop niet groter dan een kleine vlek. Amsterdam en Den Haag, beiden op de kaart te vinden, liggen op die kaart naast elkaar en tegen elkaar aan. In het oostelijk deel van het continent Afrika vinden we in een gebied, dat we normaal De Hoorn Van Afrika noemen, het land aan wiens gewoonten ik even mocht proeven. Daar zijn veel grotere afstanden te zien. Nederland kan daar vele tientallen keren, misschien wel honderden keren in.
Hierna loop ik weer verder over de Overtoom en passeer de Eerste Constantijn Huijgensstraat. In 1980, het jaar waarin ik in Amsterdam woonde, baarde deze vrij brede, de Overtoom doorkruisende straat met in het midden de trambaan, nog opzien door een kraakactie in een pand aan de Vondelstraat, vlakbij het Vondelpark. Uit bovengenoemde brede zijstraat werd door demonstranten tegels uit de stoep gerukt. De toeloop naar de plaats des onheils was enorm. Ik kan nog even niet oversteken want het voetgangerslicht staat nog op rood. De tram schuurt met veel gepiep en veel kabaal naar de overkant. Een jongen en twee meisjes, Engelssprekend, zijn naast me komen staan. Het meisje, dat het dichtst bij me staat, heeft een mooi en fris gezicht. Het lichtmannetje gaat op groen. Ik steek over, maar de anderen zijn nog te druk met elkaar bezig. Dan krijgen ook zij in de gaten dat ze door mogen lopen en nog voor ik de brede zebra ben overgestoken, lopen zij verder. Als ik weer op de stoep loop, halen ze me met gemak in en lopen voor me. Het meisje met het mooie frisse gezicht heeft een blauwe spijkerbroek aan met wijde pijpen. De linkerpijp is bewerkt met een kleurrijk, tierelantijnig motiefje. Als ik rechtsaf sla, het Leidseplein in, raak ik ze kwijt. Eigenlijk ben ik nog niet op het Leidseplein, maar op de Stadhouderskade. Boven het straatbeeld zie ik twee daktorentjes van het Rijksmuseum uitsteken. Ik steek links de straat over en ik ben nog niet op het Leidseplein beland of de jongen en de twee meisjes lopen weer naast me. Ik begin bijna aan een mirakel te denken. Op het plein met de lege terrasstoeltjes loop ik in de richting, waar zich ook de Melkweg bevindt. Dan stap ik het kleine cafeetje Rock In And Roll Out binnen, waar ik bij de man achter de bar een koffie bestel. De man is Nederlands en heeft een Amsterdams accent. Het meisje dat hem helpt, spreekt Engels en zegt dat ze van Schotse afkomst is. Voor de bar zijn ook al jongeren van het Britse continent met elkaar bezig. En goed ook! Ze hebben plezier en pret voor tien. Ik wil even sigaretten trekken, want dat was de eigenlijke reden om een cafeetje als dit te bezoeken. En daarnaast had ik wel trek in koffie. Sigaretten moeten boven gehaald worden naast de toiletten, want daar staat de automaat. Wat dat betreft is het hier net Café Black & White. Het is maar een klein en bekrompen cafeetje. Ik moet me echt door de meute heen wringen om boven te kunnen komen. Boven is ook al zo'n Engels meisje. Ze verlaat het toilet. Ik heb mijn zojuist gekochte boeken meegenomen en even op de sigarettenautomaat gelegd. Als ik weer naar beneden ga, rook ik daarna inderdaad een sigaretje en bestel bij het meisje nog een koffie. De jongeren, die de kleine ruimte vullen, zijn echte Engelsen. Ze blijven luidruchtig. Ik vertel het meisje aan de bar dat ik Nederlands ben en in Den Haag woon. Ik was in Amsterdam om naar een Nederlandse band te kijken en te luisteren, die Nederlandse liedjes zingt en speelt, leg ik uit. Het heeft weinig zin om uit te leggen wie de Tröckener Kecks zijn. Ineens kom ik tot de ontdekking, dat mijn boeken nog boven liggen! Ik loop weer door de meute heen en volg de weg op de trap naar boven. Ze liggen inderdaad nog trouw te wachten boven op de sigarettenautomaat. Ik haal het felgekleurde zwartrode zakje, waar de boeken in zitten, weg, neem het mee naar beneden en blijf nog een poos achter de bar zitten. De muziek, die ik hoor, is van Santana en heet Smooth. Aan de muur hangen portretten van oude bluesmuzikanten, die normale stervelingen niet meer kennen. Lightnin' Hopkins, Skip Battin, noem maar op. Ik verlaat het cafeetje weer, groet de man, groet het meisje, dat telefoneert en loop via de Leidsestraat, waar men zo te zien de laatste hand aan legt, terug naar het Centraal Station. Het is al bij negenen als ik achter in het station op de trein naar Vlissingen stap.
De trein brengt mij naar Den Haag.

Leesvoer