Recensie van het concert in Tivoli Urecht, door Anjo v/d Wal

Tröckener Kecks
Ik had het inderdaad druk met concertbezoek, maar eerlijk gezegd had ik het ook druk met het openbaar vervoer. Rond de klok van zes vrijdagavond verliet ik het ministeriële Bezuidenhout om op het Centraal Station een trein naar Utrecht te nemen. Ik wilde ook nog een hapje eten en loste dat op bij C'est du Pain, waar ik een Panini met oude kaas nam (door mij ook dikwijls Paganini genoemd; je weet mijn betrokkenheid bij de klassieken is heel groot, daarom zit ik ook bij Economische Zaken, daar zitten heel wat geleerde bollen, die verstand hebben van de klassieken onder de economen, niet alleen van Keynes) en een pistolet (sorry voor de eerste lettergreep) met kaas (ja, ham hadden ze niet) plus nog een kop koffie, die gloeiend heet was. Met mijn hete koffie in de hand zag ik op het blauwe bord, dat om 18.16 uur een trein naar Arnhem zou vertrekken. Over Utrecht dus. Ik keek op de klok er naast. Die wees 18.15 uur aan. Met mijn bagage rende ik naar het perron, waar de trein naar Arnhem moest vertrekken. Vervolgens realiseerde ik me dat ik niet eens wist op welk perron ik moest zijn, rende terug, pikte het perronnummer op en rende daar naar toe. Wat was de koffie heet!! Gloeiend gewoon!!! Helaas, de trein reed al weg. De volgende trein naar Utrecht, dit keer met als eindbestemming Leeuwarden en Groningen (splitsing in Zwolle) zou pas om 18.38 vertrekken. Dus nam ik ruim de tijd om me aan mijn pas veroverde avondmaaltijd tegoed te doen. Hierna zocht ik de trein op, die me naar Utrecht zou brengen. Tegen vertrektijd werd op alle perrons afgeroepen, dat er een wisselstoring was in of in de buurt van het station, waardoor geen een trein uit Den Haag Centraal kon vertrekken. In eerste instantie bleef ik zitten. Het concert zou om half negen beginnen en twee uur van tevoren uit Den Haag Centraal vertrekken was in principe niet te laat. Maar ik had natuurlijk geen idee hoe lang dit kon gaan duren. Vervolgens realiseerde ik mij, dat ik zonder kaartje een trein was binnengestapt. Niet slim, maar daardoor kon ik mezelf bewegen de trein te verlaten in plaats van afwachten, wat de overige passagiers deden. Ik liep naar de loketruimte, maar voordat ik aansloot, leek het me zinvoller eerst aan een conducteur op een perron te vragen, hoe lang hij dacht dat deze situatie nog zou duren en wat hij me aanraadde te doen. Ik liep weer terug in de hal en rook een brandlucht. Had er ergens een elektrisch brandje gewoed soms? Ik vervoegde me bij de conducteur, die bij de Babylonkant van het Centraal Station stond, op het perron, waar normaal de treinen naar Haarlem, Alkmaar en Hoorn gereed staan. De man werd al van alle kanten belaagd door gedupeerde passagiers.

"Ik moet om half negen in Utrecht zijn, daar wil ik graag een optreden bijwonen van wel een heel bijzondere, zeer invloedrijke groep. De belangrijkste groep sinds The Beatles. Denkt u, gelet op deze omstandigheden, dat mij dat nog zal lukken?"
De man reageerde enigszins gepikeerd. "Hoe moet ik nou weten hoe lang het nog duurt? De storing is net een paar minuten geleden aan ons allen gemeld."
"Heeft het zin naar boven te lopen en daar een Interliner naar Alphen te nemen?" vroeg ik. "Want hier komen de treinen niet weg."
"Ik kan u niet zeggen wat het meest zinvolle is," antwoordde de conducteur. "Ik weet ook niet hoe laat die Interliners vertrekken. Dat weet ik alleen van de treinen. Boven hebben ze een apart informatiestation."
Inmiddels was de conducteur omringd door reizigers, die hem vroegen hoe de situatie op Hollands Spoor was. De man kon nergens antwoord op geven, hooguit in zijn labtopje met een pen opzoeken, wanneer een bepaalde trein in de loop van de avond zou vertrekken. Hierna wendde hij zich tot mij.
"Hoe kunt u nou vragen wanneer het lek hier gemaakt is?" vroeg hij me alsof ik hem een domme, onnozele vraag had gesteld. "Dat weet ik toch ook niet? Deze situatie overvalt mij ook maar. Het komt gewoon koud op je dak en je kunt er niks aan doen."
"Ik vraag u ook niet, wanneer de storing hier verholpen is," zei ik. "Ik vraag u: dènkt u, dat ik half negen nog haal om in Utrecht aan te komen onder deze omstandigheden."
"Ik weet het niet," bleef de conducteur wanhopig volhouden. "Het beste is dat u zich zelf uit deze situatie redt," adviseerde hij mij. "Voorlopig komt hier nog geen trein het station uit, want er is een wisselstoring. Dat kan nog wel enige tijd duren."
"Boven dus?" suggereerde ik.
"Ja, ik denk dat u boven met de bussen meer kans hebt."
"Leiden of Alphen?"
"Moeilijk te zeggen. Je hebt best kans, dat deze situatie tot Leiden zich voortsleept. Dat moet u zelf maar bekijken."
Met dit advies liep ik via de roltrap weer naar boven en zocht de Connexxion loketruimte aan de rand van het busstation op. Daar was niemand meer aanwezig. Dus liep ik maar naar de bussen op zoek naar een zelfbedachte oplossing. Er stond al een nummertje 380 of 382 klaar. Ik ging eens boven de voorruit van de blauwgroene Interliner kijken: Boskoop. Een paar mensen stonden al te wachten om in te stappen. Ik vroeg hen hoe lang het ging duren, want de bus was afgesloten. Deuren dicht en lichten uit. Ik legde bovendien mijn persoonlijke situatie uit: Op weg naar Utrecht, half negen afgesproken. Met de trein kom je het station niet uit.
"Je kan het beste over Leiden." Mij werd een gele Connexxion bus gewezen, waar een stoet van reizigers millimeter voor millimeter naar binnen dromde. Van alle oplossingen was dit nog de beste. De Interliner zou voorlopig nog niet vertrekken, zo te zien en die zou geen tijdwinst opleveren, dacht ik. Ik ging dus bij de reizigersgroep staan, die bij de deuren van de bus naar Leiden Merenwijk klaar stond om in te stappen.
"Hij gaat toch wel naar Leiden Centraal?" vroeg een vrouw naast me wat paniekerig.
"Ik denk het wel," antwoordde ik, "want daar moet ik zelf ook naar toe." "Het staat er niet op," zei de vrouw.
"O," zei ik aarzelend bedachtzaam, "Leiden Merenwijk...nou...ik denk het wel. De meesten moeten naar het station, denk ik. Het is zo'n grote groep. Hoewel die in Voorschoten en alle voorgaande stations en daarna af kan brokkelen, denk ik, dat een groot deel ook naar het station moet."
Leiden Centraal, maar dat bedacht ik pas later, is een knooppunt van buslijnen. Een bus die van Den Haag Centraal naar Leiden gaat, komt zeker langs het treinstation. Zeker als die naar Merenwijk gaat, want dat is zo ongeveer Leiden-Noord.
Passagiers om me heen verzekerden de dame, dat de bus naar het station in Leiden zou gaan.
"Ik vroeg me nog af of ik niet beter over Hollands Spoor kon gaan," zei de vrouw.
"Dat werd beneden ook al door een hoop mensen gevraagd," merkte ik op. "Nou...het beste is, dat je ziet Den Haag zo snel mogelijk uit te komen, zodat je van die wisselstoring geen last meer hebt en alsnog op de plaats van bestemming aankomt."
We zijn aan de beurt om in te stappen. Eerst de vrouw, die de vraag of Leiden Centraal met deze bus aangedaan wordt, alsnog aan de bestuurder stelt. Die stelt haar gerust. Hierna geef ik mijn eindbestemming met de bus op: Leiden Centraal. Vanaf vak 10, het eerste vakje dat nog openstaat op mijn strippenkaart, wordt nummer 15 gestempeld. We schuiven door. Ik kom bij de uitgang terecht. Rechts van me staan enige heren, een ambtelijke en een oudere. Links staan een paar leuke gezellige meiden. Helemaal rechts staat ook een meisje. Die staat te bellen met de mededeling dat ze wat later komt. Tegelijkertijd probeert ze deze situatie uit te leggen. Meer mensen leggen via hun mobiel deze situatie uit. Het is nog niet helemaal duidelijk of het om een stroomstoring of een wisselstoring gaat. Duidelijk is wel, dat iemand in de waan van de dag even iets niet goed gedaan heeft en daarmee honderden, misschien wel duizenden passagiers dupeert, die met hun rammelende maag naar huis willen. Af en toe maak ik wat rotgeintjes, waar vooral de oudere heer om kan lachen. De bus rijdt na vertrek over de Juliana van Stolberglaan, passeert het Conservatorium en rijdt zo de Prinses Beatrixlaan in. Ik passeer het hoge gebouw achter het parkeerterrein, waar ik vijf jaar van mijn leven gewerkt heb: van 1980 tot 1985. Mensen, die langer in dienst zijn van EZ, kunnen zich dat nog wel herinneren. Hierna wordt het dichte mist, waar we heen rijden. Over een viaduct rijdt een trein van links naar rechts. Dit wordt door sommigen opgemerkt en men probeert er conclusies aan te verbinden. Maar daar is het nog te vroeg voor, want deze trein komt zo te zien uit Station Laan van Nieuw Oost Indië en rijdt naar het Centraal Station. Als de storing nog niet verholpen is, zal hij zo dadelijk wel stil blijven staan. Verder rijdt de bus. Bij het eerstvolgende stopstation stapt de oudere heer uit. De bus rijdt daarna weer verder.
"Er is er een uitgestapt, dus nu kan er weer aangesloten worden," deelt de chauffeur door zijn microfoon mee. Enkele mensen, waaronder ondergetekende, schuiven iets op.
"Hij had het tegen mij," zeg ik geruststellend tegen de meisjes nog voor ze de kans krijgen teleurgesteld te kijken.
Ondertussen komen nog wat gesprekjes los. De een moet daarheen, de ander moet daarheen. Regelmatig probeer ik er achter te komen, waar we nu zitten. We rijden door het centrum van Voorburg.
"Wéreldstad!" roep ik enthousiast. Een situatie als deze vraagt om de humor die tegen het niveau van een conference aanzit. Wim Kan, Jansen en Lebbisch en mogelijk ook onze goede vrienden Joep en Freek zouden hier veel voer voor hun teksten kunnen hebben.
"Waar zitten we?" vraag ik na een poosje. Want nu ben ik een beetje de weg kwijt.
"Dit is Leidschendam," zegt iemand. Veel mensen kennen hier de weg. Om me heen veel reizigers, die uitstappen bij deze of gene halte. Over Voorburg filosofeer ik, dat dat een van de oudste steden van het land is. Dat met name Dordtenaren, maar ook niet-Dordtenaren, tot Maastricht aan toe, willen weten, dat Dordrecht de oudste stad van het land is, is de afgelopen week al aardig gerelativeerd. Dordt-inwoonster en FEZ-collega Renate Stamsnieder verklaarde dat Dordrecht de oudste stad van HOLland is. Dat is een groot verschil, want daardoor vallen steden als Utrecht, Nijmegen en Maastricht buiten de boot. Die liggen geen van drieën in Holland. Deze drie gelden wel als de eerste steden, die, gelijk na de val van het West-Romeinse Rijk (476 n. Chr.), stadsrechten verkregen. In Maastricht hoorde ik dus, dat deze stad dateert van 50 voor Christus en Utrecht heeft zelfs nog een Romeinse naam gehad: Trajectum. De Domtoren ziet er in mijn ogen heel Romeins uit en tijdens de televisie-uitzending van de intocht van Sint Nicolaas in Maastricht enkele weken geleden konden we zien, hoe moeiteloos de oude binnenstad haar eigen verleden weer laat herleven als de Sint te paard door de straten rijdt.
De man hoort mijn verhaal wat meesmuilend aan. Hij vindt het allemaal niet zo betrouwbaar en bovendien vindt hij dat het wel wat uitmaakt, wanneer een stad stadsrechten krijgt en wanneer een stad als kern ontstaat. Den Haag is wat dat betreft een stad, waar de meeste verhalen over gaan. Er staat er weer een bij, die beweert, dat Den Haag nooit stadsrechten gehad heeft. Dat heb ik ook vaak gehoord. Iemand vertelde mij, dat Den Haag onder Lodewijk Napoleon pas haar stadsrechten verkregen zou hebben. Dus zo rond het begin van de negentiende eeuw. Vrij laat dus. De stad heeft drie jaar geleden haar 750-jarig bestaan nog gevierd. The Rolling Stones zijn er nog speciaal voor overgekomen naar het Malieveld. In de krant las ik, dat over het begin van de geschiedenis van Den Haag ook al weer verdeeldheid was, waar te beginnen. Het leek wel alsof men het gewoon weer tijd vond voor een feestje. Over het ontstaan van Dordrecht zijn ook veel meningen, zelfs over het ontstaan van de naam. Het enige jaartal dat ik er over heb gezien is 1047, of daar ergens in de buurt. Dat is aanzienlijk later dan Maastricht, die er in 50 v. Chr. dus al was.
Mooi voer voor een discussie als je toch even niks te doen hebt, omdat de bus je naar een bestemming brengt. Ondertussen raadt iemand mij aan om in station Leiden Lammenschans uit te stappen, omdat ik dan alvast in de richting zit van waar ik moet zijn. Van Lammenschans naar Centraal rijdt de bus nog tien minuten tot een kwartiertje. Niet zeker wetend of ik in Lammenschans evenveel treinen naar Utrecht zal kunnen krijgen als vanuit Leiden Centraal, waar ik de vertrekfrequentie hoger inschat, besluit ik tot Leiden Centraal mee te rijden. Ondertussen is de blonde aardig bezig, bijgestaan door een wat gewoner uitziend meisje. De blonde, die door haar telefoontje te kennen heeft gegeven meer tijd te hebben dan ik, het is tenslotte vrijdagavond, demonstreert toch het gevoel van de hongerige maag, dat tijdens zo'n vertraagde rit ontstaat. Rammelderammel. Ze vindt de chauffeur best wel aardig, hoewel in eerste instantie de chauffeur maar als een geïrriteerd mannetje wordt ondervonden. Ik zeg, dat, gelet op de omstandigheden, de chauffeur heel erg meevalt. "Ik sta al een hele tijd mijn mond te houden," verzeker ik. Hoewel de meeste mensen hier in Leiden er uit moeten, zouden ze zeker de trein genomen hebben. De mensen, die er in Voorburg, Leidschendam en Voorschoten uitgegaan zijn, zouden mogelijk toch al in de bus hebben gestaan.
We zijn Lammenschans voorbij. Het duurt inderdaad nog zeker tien minuten voor de bus in Leiden Centraal is. Ik praat nu met het andere meisje, dat op de radio iets over de Tröckener Kecks heeft gehoord. Na 45 jaar houdt een van de succesvolste in het Nederlands zingende bands er mee op. Hè, dacht ze, vijf en veertig jaar, dat kan toch niet. "Nou," zeg ik, "dat ze er mee ophouden heeft inderdaad met het succes te maken. Dat 45 jaar...als dat gezegd is, is hier sprake van een vreselijke overdrijving, want langer dan 21 jaar is het niet." Al in 1994 had zanger Rick de Leeuw, zo te horen bijgestaan door zijn medebandleden, aangegeven, dat als het succes van Met Hart en Ziel (1990) had doorgezet, ze er nu (1994) vermoedelijk niet meer waren. Er was bovendien bevestigd, dat de Kecks zouden stoppen op hun hoogtepunt.
Het is een vreselijk spontaan meisje en ze lacht veel. Maar ook zij moet er uit. Leiden Centraal is al in het vizier en daar gaan meer mensen uit, ook ondergetekende, die eerst maar eens een treinkaartje gaat kopen en aan de lokettiste uitlegt, dat hij van Leiden Centraal over Utrecht naar Den Haag Centraal wil. Tevens legt hij uit, waarom hij in Leiden is, want zijn vertrekpunt was Den Haag, maar er was daar een stroomstoring, zodat hij van alternatief vervoer gebruik moest maken. De lokettiste weet totaal niets af van wat er in Den Haag gebeurd is. In het hele station blijkt uit de vertrektijden, dat verschillende treinen vertragingen hebben. Dit kan toeval zijn, maar heeft natuurlijk duidelijk te maken met de spoorsituatie in Den Haag. Ik zoek de trein naar Utrecht, maar vindt hem niet. Er wordt iets omgeroepen. Op een spoor staat een trein naar Arnhem gereed, meen ik te beluisteren. Die komt ongetwijfeld langs Utrecht, dus ik ren naar boven. Aan een vrouw, die in wil stappen, vraag ik nog het een en ander. Zij moet naar Haarlem en ik realiseer me ineens, dat dat ook de trein is, waar zij in wil stappen en waar ik naar toe gerend ben. Was ik er toch bijna ingestapt! Het geluid van de speakers op de stations varieert van redelijk tot slecht, maar vaak doet men ook zijn of haar best niet om duidelijk iets om te roepen, hard, duidelijk of verstaanbaar (op zijn minst). Dit keer verstond ik Arnhem in plaats van Haarlem. Dit zijn dingen, daar moet een omroepster toch rekening mee houden! Dat doet ze niet, want daar denkt ze niet aan. Het is ook maar een stationsmuts en ze zal de eerste zijn, die dat over zichzelf zegt.
Ik kijk eens op de gele borden, want de naam Leiden Centraal, die aan dit station is gegeven, is prestigieuzer, dan het station is, afgezien dan van de bouwconstructie. Het blauwe bord, dat op de Centraal Stations van de vier grote steden in de hal trouw de vertrektijden van de eerstvolgende treinen van de eerstkomende twee uur aangeeft, ontbreekt hier. Wel vind ik op een geel bord in blauwe letters een verbinding tussen Leiden en Utrecht, waarvan ik wist dat die bestond, want ik had er ooit al eens in omgekeerde richting ingezeten, toen een trein van Utrecht naar Den Haag te lang op zich liet wachten. Nu blijkt, dat alle treinen in de avonduren van Leiden naar Utrecht stoptreinen zijn en maar twee keer per uur vertrekken! De laatste, 19.38, is zojuist vertrokken. De volgende is er pas om 20.08. Weer pech. Er moet dus weer een poos gewacht worden en ondertussen zet ik de walkman maar weer aan.
De trein naar Utrecht komt er aan. Ik stap een zo goed als lege coupe binnen en neem achterin plaats. Hoewel het overgrote deel van de tocht, die binnenkomt, aan de openstaande coupedeur en de openstaande deuren bij het perron te wijten is, vindt toch iemand het nodig om alle bovenraampjes, die open zijn, te sluiten. Een goed voornemen, temeer omdat het behoorlijk kouder geworden is de afgelopen week. De jongen, die de raampjes sluit, kijkt voor hij het laatste raampje dicht doet nog even vragend naar me met een klein veelbetekenend knikje. Ik gebaar terug dat hij wat mij betreft zijn gang mag gaan en luister verder naar mijn muziek.
Nog voor de trein vertrekt komt door de coupedeur een grote zwartbruine hond binnen en wacht dartelend tot zijn vrouwtje ook binnen is. Dat is een jonge vrouw met bruin krullend haar, die eerst een Spitskrantje neerlegt op een plek bij het raam. Dan roept ze haar hond, die vervolgens op de met de krant bedekte bank springt. Hierna gaat ze naast de hond zitten. De hond heeft veel weg van de hond, die mijn moeder in de jaren vijftig en zestig thuis had en die de eerste zes jaar van mijn leven nog een trouwe huisgenoot van me was. Een poos zeg ik niks en mijn buurvrouw staart ook maar wat voor zich uit, zich af en toe tot de hond wendend. Ik kijk eens op mijn horloge. Haal ik dat nog?
"Hoe laat is deze trein in Utrecht?" vraag ik aan mijn buurvrouw.
"Nou," zegt ze, "reken maar op om een uur of negen, want op dat moment moet ik overstappen voor Amersfoort. Daar woont mijn moeder en daar ga ik naar toe." "Ik ga naar een concert van Tröckener Kecks. Op het kaartje staat, dat het om half negen begint."
"O jee, dat red je dan niet meer," zegt ze zorgelijk. "Hooguit vijf voor negen, maar ik denk negen uur is hij pas in Utrecht. Het is nog een stoptrein ook." "Ja, dat zag ik. En bovendien is de frequentie laag. Hij vertrekt maar twee keer in het uur. Elk half uur is er een."
"Ja, het traject Leiden-Utrecht is best wel slecht te noemen. Ik moet vaker naar Amersfoort. Ik woon en studeer in Leiden en in Amersfoort woont mijn moeder, maar de verbinding tussen Leiden en Utrecht is slecht."
Het eerste station Lammenschans, waar de trein trouw gestopt heeft, zijn we al voorbij.
Ik leg uit over de stroomstoring in Den Haag, waardoor ik noodgedwongen naar Leiden uit moest wijken om toch nog op een redelijke tijd een trein naar Utrecht te kunnen nemen. "Iemand in de bus zei, dat ik net zo goed in Lammenschans uit kon stappen, want dan zat ik al in de richting. Ik heb het niet gedaan, omdat ik dacht, dat ik in Leiden Centraal een kans zou maken op veel meer treinen in een uur naar Utrecht, maar dat valt nog tegen. Ze stoppen allemaal in Lammenschans en vertrekken allemaal vanuit Leiden Centraal."
"Ja, dat maakt helemaal niets uit," bevestigt ze.
Een berekening, die ik pas na het weekend zal maken, leert, gelet op de tijdwinst, die ik gemaakt zou hebben als ik in Lammenschans was uitgestapt, dat ik nog net de trein van 19.38 uur gehaald zou hebben naar Utrecht. Dan was ik zelfs nog op tijd geweest. Maar wie weet dat van tevoren? Deze situatie komt ook maar koud op je dak terecht. In heel veel situaties is "achteraf..." altijd te laat.
"Je hebt wel een leuke hond bij je," zeg ik, nu ik toch met haar bezig ben. "Neem je die overal mee naar toe?"
"Ja, meestal wel," antwoordt ze. "Ik woon dan samen met een vriendin, dus er wordt wel naar hem omgekeken, als ik weg ben. Maar hij kan ook goed alleen zijn. Dan gaat hij spelen met een bal en als ik dan thuis kom, komt hij naar me toe met bal en al. En dan is hij ook heel blij, enthousiast en opgetogen. Nu ga ik dan naar mijn moeder en dan gaat hij ook mee."
"Ik heb helemaal geen verstand van honden," erken ik. "Wat voor een is het?" "Nou, het is een kruising," verklaart ze. "Hij heeft het meest van een Duitse herder, maar er zit ook wat in van..." Ze noemt twee andere rassoorten, waar ik werkelijk nog nooit van gehoord denk te hebben.
"En het is een mannetje, zag ik net," verklaar ik.
"Ja, dat klopt," zegt ze. "Een mannetje zonder ballen. Takkie heet hij. Dat was de hond van Jip en Janneke."
Dat brengt mij op twee collega's van het secretariaat van mijn vorige afdeling. De ene secretaresse heette J.I. Pengel en noemde zichzelf Jip. De andere heette Marianne. Dat moest dus wel Janneke zijn. Hoewel ik best bekend ben met deze vooral bij kinderen populaire creatie van Annie M.G. Schmidt, kende ik hun hond niet meer. De hond spitst gelijk zijn oren als hij zijn naam hoort noemen. "Eigenlijk heet hij Rakker," zegt ze. "Ik heb hem uit het asiel..." Ik heb ondertussen gevraagd naar de leeftijd van het beest, negen jaar. Hij kan vijftien, zestien jaar worden. Van grijs worden is nog nauwelijks iets te zien. Ook heb ik gevraagd of ze hem van jongs af aan, negen weken of zo, uit een hondenmand met allemaal jonge hondjes heeft. Hierboven staat het antwoord. Dit is ook de periode, waarop hij erg verhaart. "In het asiel hebben ze hem ook gecodeerd. Kijk maar...." Ze laat de code in het oor van het beest zien. "Ik kan het niet lezen," zegt ze.
"Mijn moeder had vroeger een whippet, een soort windhond," vertel ik. "Die was van een kennel en was ook gemerkt. In een oor vond je nummer 59. Dat kon je dus nog wel lezen. De code in het andere oor was onleesbaar als ik me goed herinner."
"O, van die lange, slanke beesten?" zegt ze. "Ja, die zijn leuk. Die kunnen ook hard rennen."
"Reken maar," zeg ik. "En enthousiast zijn ze ook als je thuiskomt. Ze springen gewoon tegen je op." "Ja, ze zijn best wel wild en maken veel lawaai," merkt ze op.
"Valt wel mee, hoor," breng ik er tegenin. "Ze blaffen vrijwel nooit. Die van mijn moeder blafte hoogst zelden. En overdreven wild was ze ook niet. Alleen bij het rennen, spelen en begroeten."
"Is zo'n hond nou waaks?" wil ze weten. "O ja," antwoord ik. Mijn vader heeft nog eens een andere gehad, die hij meenam, toen hij een poosje bij mij verbleef. Ik ging in het weekend 's nachts wel eens uit. Mijn vader ging naar bed, nam de hond mee en als ik dan om drie, vier uur in de nacht de sleutel in het deurslot draaide, hoorde je al een klein blafje. Als ik dan vervolgens de deur opendraaide en naar binnen liep, kwam hij al naar me toegelopen en begroette me enthousiast."
"Nou, hij is ook wel enthousiast, hoor," zegt ze over haar eigen hond. "Maar als hij vervelend is, noem ik hem ook wel eens Rakker. Soms heeft hij dagen, dat hij echt vervelend is. Dan heeft hij nergens zin in en dan krijg ik niks bij hem gedaan. Gewoon vervelend," zegt ze. "Hè, Rakker?"
De hond blijkt ook al op die naam te reageren en al niet eens als zijn vrouwtje zich tot hem wendt. Gewoon bij het horen van beide namen wordt hij oplettend en gaan zijn oren omhoog. Dan kijkt hij mij eens aan, alsof hij zeggen wil: "Goh, ken jij me nu ook al?"
De trein is ondertussen Alphen aan den Rijn al voorbij. In Woerden blijft hij wat langer stilstaan. Het schiet niet op. Ik klets maar eens door met mijn buurvrouw. Die constateert, dat haar hond dorst heeft en komt met een fles Spa blauw aanzetten, waarvan ze het blauwe dopje vult met het Spawater. Ze houdt de hond het met water gevulde dopje voor. De hond houdt er eerst zijn neus bij, maar wendt daarna het hoofd af.
"Niet hebben?" vraagt zijn vrouwtje. "Nou, dan ik ook niet." Met een resoluut gebaar wordt het dopje geleegd in de afvalbak onder het raam. De dop wordt weer op de fles geschroefd.
"Valt wel mee," zegt ze tegen mij ter geruststelling. "Als je hem straks een schoteltje geeft, drinkt hij er wel van, hoor." De hond likt. Hij heeft toch zin in iets. Snoepjes, misschien? Mijn buurvrouw doorzoekt haar zakken en haar tas. Nee, geen snoepjes. Pech.
"Goh, Tröckener Kecks," verandert ze van onderwerp. "Toen ik een jaar of veertien was en op school zat, vond ik dat wel goed, maar dat kwam door die hit, hoe heet hij ook al weer?"
"Met Hart en Ziel," vul ik aan.
"Ja," zegt ze, het zich ineens herinnerend. "Ja, vanaf dat moment ken ik ze. Daarna heb ik er nooit meer wat van gehoord."
"Ze hebben nog menige plaat uitgebracht, hoor," bevestig ik. "En ik ken ze al langer....Niet veel langer overigens."
"Ja...nou...het is eigenlijk mijn muziek niet zo," erkent ze peinzend. "En ik hou me er niet zo mee bezig....Ik hield meer van Frank Boeijen. Hoewel ze daarvan weer zeggen, dat hij zo onverstaanbaar zingt."
"Valt wel mee," vind ik. "Ik heb hem in het algemeen wel goed kunnen verstaan."

"Ja, ik had er ook niet zo'n moeite mee. En wat ik ook vaak hoorde was, dat het gehalte van de liedjes nogal dun zou zijn...."
"Valt ook best mee," zeg ik weer. En ik ben niet eens een fan van Frank Boeijen. Ik geef een demonstratie: "Denk niet wit, denk niet zwart, denk niet zwart-wit..."
Ze lacht. "Ja, daar kun je best op doordenken. Dat is eigenlijk niet zo mijn stijl, maar het kan toch. Laatst stond ik voor de klas en mijn leerlingen vroegen dat aan me. "Jùùùf! Wat betekent dat nou eigenlijk? Dat lied van Frank Boeijen, Denk niet zwart-wit?" De juf wist het eigenlijk even niet." "Kun je nagaan, dat zelfs je eigen leerlingen je nog aan het denken kunnen zetten," merk ik op.
"Ja, ik had er zelf nog nooit over nagedacht," zegt ze lachend met iets aan gêne. "Ik gaf nooit veel om muziek, behalve op de middelbare school. Dan luisterde ik naar Dire Straits en Guns 'N Roses..." De laatste naam spreekt ze uit met het enthousiasme uit die tijd.
"Die zouden komen optreden, maar het optreden is afgelast," zeg ik.
"Ja, dat klopt, dat heb ik ook gehoord," zegt ze.
"Hield je ook van Lenny Kravitz?" vraag ik.
"Ja, die ook," zegt ze vol overtuiging.
"Je studeert en je geeft les?" stel ik vast.
"Ja, ik geef Godsdienst."
"En wat studeer je dan?"
"Nou, theologie," zegt ze. "Ik heb hiervoor gymnasium gedaan. Tegenwoordig heet dat gewoon VWO. Dat staat ook op het papiertje, dat je krijgt als je eindexamen hebt gedaan. Vroeger was dat nog anders."
"Nee," probeer ik te verbeteren, "het verschil tussen gymnasium en atheneum zit toch in de eerste twee leerjaren? Op het gymnasium worden nog klassieke talen gegeven, zoals Latijn en Grieks. In het laatste jaar maakt dat geen verschil meer en krijg je één diploma."
Ze houdt vol dat het gymnasium zich vroeger in zijn geheel onderscheidde van het algemene VWO. Je kan namelijk ook eindexamen doen in die talen als je dat wil. Ze had een groot talenpakket. Alleen geeft ze toe aan die klassieke talen niks meer te hebben. Ja, misschien aan het Latijn, omdat in het Nederlands nog veel Latijnse invloeden te bespeuren zijn, een overblijfsel uit de Romeinse tijd. "En Grieks, daar kun je nog wat aan hebben als je met vakantie naar Griekenland gaat," merk ik op.
"Nee, hoor," bestrijdt ze. "Het Grieks wat je op het gym leert is het klassieke Grieks, niet het Grieks, dat nu in Griekenland gesproken wordt. Ja, het alfabet, dus de tekens, zijn wel hetzelfde, maar de taal, die daar nu gesproken wordt, is heel anders."
"Toevallig ken ik een Grieks woord," zeg ik. "Ik was ooit op vakantie op Kreta. Op vakantie in het buitenland leer je wel eens op zijn minst één woord uit de taal, die daar gesproken wordt. Op Kreta zeg je tegen iedereen, die je 's morgens tegenkomt: Kalimera." .
"Ja, dat klopt wel," zegt ze. En 's avonds zeg je dan Kalinichta. Ik kon het makkelijk onthouden, omdat Kalimera dicht bij Calimero zit."
"Ja," roep ik. Soms moet je echt lachen, omdat je ontdekt dat iedereen soms hetzelfde denkt, hetzelfde opmerkt en dezelfde ezelsbruggetjes hanteert. "Zo onthield ik het ook."
De trein boemelt verder. Woerden hebben we nu gehad. Vleuten is de volgende. Ik vertel mijn buurvrouw, zonder overigens prijs te geven, wie mijn werkgever is, dat Verder in Vleuten vroeger een klant van ons was en dat aanleiding was om collegiaal onder elkaar wat flauwe grappen los te laten. Verder Vleuten...steeds verder vleuten....Mm...vanavond klopt het aardig.
Het meisje is af en toe nog met haar hond bezig. Beetje spelen. "Takkie!" Takkie dit...Takkie dat..."Als hij vervelend is of niet wil luisteren, noem ik hem dus ook wel eens bij zijn echte naam," zegt ze. "Dan zeg ik Rakker! AF! Kom Rakker!"
Ik probeer ook uit, wat er gebeurt als ik de hond bij zijn naam noem. Maar ik hou het op Takkie, zoals met de hond zelf afgesproken is. Achterin kijkt een man verveeld boven de banken uit naar ons. Hij vindt dit geen leuk gesprek, maar wij hebben er maling aan. We zijn bij station Utrecht Centraal. Als het vrouwtje haar bagage bij elkaar pakt, is de hond al van zijn krant afgesprongen. Hij wil wel eens weten, wie hem zo bij de naam noemt, buiten zijn vrouwtje. Hij komt bij me staan en ik aai hem. Zijn vrouwtje heeft eerder al verklaard, dat hij last van vlooien heeft en daarom een zalfje heeft gekregen. Vandaar dus die krant. Als mijn handen er naar stinken, weet ik dus, waar het van komt. Ik verklaar dat er dan wel ergens water en zeep zal zijn. "Kom Takkie!" Takkie luister niet. "Rakker! Kom!" Dat helpt. Ook in het gangetje naast de coupe moet het vrouwtje hem tot de orde roepen, want hij duikt zo een andere coupe binnen, waarvan hij de deur met zijn snuit openduwt. "Takkie, hier! Rakker! Kom!" Rakker komt er aan. De deuren openen zich. De reizigers stappen er uit. "Kom, Tak!" Zijn vrouwtje loopt al een heel eind voor me uit op weg naar de trap naar boven. Ze kijkt om. "Rakker! Hier!" Rakker bevindt zich vlak bij mij. Doet nu ineens of hij onnozel is. Met een bloedgang rent hij nu langs mij en stevent op zijn vrouwtje af, waarna ze samen de trap nemen.
In de hal van Utrecht Centraal is de GWK-geldautomaat al snel gevonden. Ik heb niks meer in mijn portemonnee en ik moet zeker met een taxi naar Tivoli, want het is al na negenen en reken maar van yep dat het concert al begonnen is. Als ik mijn geld, zonder bon, uit de muur getrokken heb, ben ik op zoek naar de taxistandplaats bij CS. De borden geven keurig aan waar ik moet zijn. Vervolgens verslik ik me toch, want als ik een trap naar beneden neem, sta ik plotseling weer op een treinperron met daarnaast wel het busstation, mogelijk ook het taxistation. Dat is echter afgesloten door een betonnen muur met een stang er op. Hier moet ik dus niet zijn. Ik ga terug naar waar ik vandaan kwam en kijk nog eens op de borden. Dit keer gaat het wel goed, want ik moest nog een stukje verder. Het Centraal Station in Utrecht is het moeilijkste station om uit te komen, ondervind ik telkens weer, maar dat kan ook een kwestie zijn van niet vaak doen. Toch weet ik zeker, dat je in Den Haag en Amsterdam dergelijke problemen niet hebt. Ook je weg vinden in het centrum van Utrecht is niet eenvoudig, hoewel de wegbewijzering uitstekend is, zoals we de vorige keer zagen, toen ik mijn kaartje op ging halen. Als je de Domtoren maar eenmaal gevonden hebt, staat Tivoli daar op de borden. Kleine witte bordjes geven elk bijzonder punt in de stad aan, dat je bezoeken kunt. Nu eerst naar de taxichauffeur, want zelf uitgoochelen, daar heb ik geen tijd meer voor. Een lange rij taxi's staat langs de stoeprand. Bij de voorste is de chauffeur al bezig een klant te helpen met het inladen van zijn bagage. Dan wordt het dus nummertje twee, want de man, die naast de chauffeur zit, blijkt, als zo vaak, een collega te zijn, die onmiddellijk uitstapt als ik naar het voertuig loop. Ik stap in.
"Goedenavond."
"Goedenavond. Kunt u mij zo snel mogelijk naar Tivoli brengen, alstublieft?" "Natuurlijk, dat gaat lukken," antwoordt de man, onderwijl de auto startend. Terwijl we wegrijden zegt hij: "Een deel van de binnenstad is afgesloten, dus we rijden even om."
Hierna rijden we een voor mij wel heel bekend stadsdeel binnen. Aan C&A en Peek & Cloppenburg kun je het al zien.
"Vredenburg," zegt de man. Het gelijknamige, vrij ronde theater is inderdaad rechts te zien. Evenals het erbij horende winkelcentrum met onder meer de Hema. Dit roept bij mij 5 mei herinneringen op, die ik even aan de chauffeur kwijt wil. "Herman Brood was hier voor een optreden op Bevrijdingspop," verklaar ik. "En Raymond van 't Groenewoud.... Op een podium dwars op de straat. Daarnaast, bij de winkels, was een podium met Harry Muskee en zijn band."
De chauffeur wil dat best geloven, maar vermeldt verder niet of Bevrijdingspop nog in Utrecht gehouden wordt. De keer dat ik er was, zal ongeveer in 1995 geweest zijn. Het boek van Bart Chabot over Herman Brood, Broodje Gezond, verhaalt over een moment op 5 mei, waarop Herman zich met Chabot ergens in het noorden van het land bevindt. Herman deelt daarin mee, dat hij 's avonds nog naar Utrecht moet voor een optreden. Nou, dat optreden heb ik dus bijgewoond. Grappig als je zoiets in een boek terugleest.
De man gaat verder niet op mijn herinneringen aan de stad in, maar rijdt zijn wagen een klein straatje in. Een steegje. De taxi rijdt in de goeie richting, maar verderop staat een auto, waar iemand bezig is spullen uit te laden. Sterker nog het zijn er twee. Het zijn twee vrouwen. De auto staat daar totaal verkeerd, want aan de andere kant mag je er niet in. Gewoon toch gedaan om snel even die spullen kwijt te raken, natuurlijk.
"Die zal straks nog een heel eind achteruit moeten rijden," voorspel ik als de chauffeuse is ingestapt.
"Dat is haar probleem," vindt de chauffeur.
De auto rijdt inderdaad een heel eind achteruit en neemt de bocht het straatje uit. De taxi komt daarna in beweging en rijdt, vooruit, het straatje eveneens uit. Een bord, dat een stopverbod langs de stoep aangeeft, staat aan het eind van het straatje. Dit lijkt er op te duiden, dat wij het straatje in de goede richting bereden.
De Oude Gracht is nu snel bereikt. Aan de andere kant van het water is de in puddingkleuren verlichte entree van Tivoli te zien. De chauffeur zet zijn wagen stil en rekent met mij de prijs van de rit af: fl. 16,80.
"Prettig weekend," zegt hij tegen me.
"Insgelijks," antwoord ik.
Ik steek de brug over terwijl de taxi wegrijdt. Rechts van me zijn vaag de contouren van de Dom te zien. Als een zwart silhouet is de toren tegen het nachtelijk duister aangeplakt. Slechts enkele dunne geboogde ramen zijn in hun omtrek verlicht. Uit Tivoli komt de muziek van Zou je niettegenstaande de recente gebeurtenissen toch nog een verblijf op amoureus gebied in overweging willen nemen, alsjeblieft? me met gespreide armen tegemoet. De tekst heeft vanavond extra lading gekregen door de "recente gebeurtenissen" van eerder op de avond en de brug werkt ook gewillig mee. Twee of drie jongens lopen me tegemoet.
"Is het al bijna afgelopen?" vraag ik ze met lichte ironie.
"Ja, het is bijna afgelopen," antwoorden ze met dezelfde ironie, die iets van eigen schuld lijken te verraden. "Hee!" roept er dan één. "Heb jij een kaartje over?"
"Nee!" roep ik resoluut en daar laat ik het bij.
In de slurf van Tivoli zijn bij de deur al de mannen met het V-teken te zien. Zij scheuren mijn kaartje af. Op de deur staat: Garderobe verplicht. Dat is niet aan blindemanogen gemeld. In de garderobe zitten een jongen en een meisje. Het meisje zit op een krukje en heeft een kort rokje aan. Ik zit bijna bij haar op schoot. Ik verontschuldig me voor het feit, dat ik zo laat ben en leg uit, dat er problemen waren met het treinvervoer vanuit Den Haag. In ruil voor mijn jas krijg ik een nummertje en betaal de prijs van f. 1,50. Vanwege de haast besluit ik mijn tas maar mee te nemen. Als ik de zaal betreed, zie ik dat het nogal moeite gaat kosten om een plek te vinden. De zaal is helemaal afgeladen. Als ik doorloop, blijkt, dat er nog wel wat lege gaten te vinden zijn. Ik zie een gietijzeren hek. Die blijkt om de P.A. gebouwd te zijn. Twee meisjes staan daar tegenaan geleund. Ze communiceren met iemand, die aan de andere kant van het hek staat aangeleund. Op de bühne vinden we de Kecks. Verder weg, maar toch nog duidelijk zichtbaar. Rick weer in zijn zwarte pak, druk heen en weer slingerend over de bühne. Philip Tilli in zijn streepjespak op gitaar. Rob van Zandvoort achter de toetsen met dit keer een kostuum aan in gebroken wit. De kleding van Gerben Ibelings is niet zo bijzonder, want bovenkleding heeft hij na verloop van tijd niet meer. Alleen nog een nat klammig bovenlijf. De meest opvallend geklede is Theo Vogelaars. Hij heeft een wel zeer opvallend rood Amev-shirt aan. De letters staan er in het wit op. Echte Utrechters hebben dit shirt natuurlijk allang herkend. Er zal een verrassing volgen als hij zich omdraait en de reactie van het publiek zal nog verrassender zijn. De Kecks zijn nog steeds bezig met Amoureus gebied. Na het laatste alsjeblieft, dat weer uitzinnig uit vele kelen komt, roept Rick weer dank je wel! Hierna begint Ibelings een solo, waarvan het patroontje onderbroken wordt door pauzes. Rick opent een fles Spa blauw en besprenkelt de snares met het Spawater. Hierna gaat het drumwerk voort en spat het spawater op. Een ogenblik zit de drummer in een grote drumfontein. Rick voegt er nog wat water aan toe, nu en dan het hoofd van Ibelings, dat door het energieke drumwerk behoorlijk verhit is natuurlijk, daarin van een kleine douche voorziend. De drumsolo houdt nog even aan en wordt onderbroken om nog even een heel snel handjeklap van Rick en Rob te laten horen. Het publiek klapt mee. Het is door het dolle heen. Phil raakt nu en dan met een nagel een paar snaren aan van zijn instrument. Na verloop van tijd gaat dit intro over in De jacht is mooier dan de vangst. Vooral bij het podium is een grote menigte met bewegende hoofdjes te zien. Veel mensen om me heen kunnen ook de meeste teksten wel meezingen en ik ken er ook wel een paar. De zaal wordt weer bewogen voor In Tranen. Verrassend, maar niet helemaal, is de aanwezigheid van Souvenir. Eerder in de zomer al op het Vondelpark gespeeld. Het is nu december. Sinterklaas is net weer vertrokken en iedereen is alweer met het volgende feest bezig. En dus zet Rob van Zandvoort de pianoklanken in van Redding, de meest ultieme kersthit van de Kecks.
Alsof het nooit gebeurd was
Dat hij op de fiets naar huis
Otis Redding voor haar zong
Dat hij beefde bij haar kus
Alsof het nooit gebeurd was
Het leek allemaal voorbij
Ze leefden nog wel samen
Maar meer als broer en zus
.........
Het wordt een mooie kerst dit jaar
Dan hebben de Kecks in hun eenentwintigjarige loopbaan ook dit voor elkaar: Uit honderden monden komt het refreintje De sneeuw valt, de sneeuw valt, waardoor heel Tivoli een moment baadt in een regen van sneeuw. Doordat ik later was, heb ik zeker een derde van het optreden moeten missen en nu zitten we dus alweer aan Ik denk nooit meer aan jou (Dat zullen we nog wel eens zien). Als vanouds neemt de zaal het regeltje weer over en scandeert dat tot vervelens toe. Bij het voorstellen van de band wordt iedereen bij zijn voornaam en achternaam genoemd, maar de toetsenist heet gek genoeg "meneer" Van Zandvoort. Mijnheer Van Zandvoort. Geldt daarvoor dan de regel Ik denk nooit meer aan U? Dan geeft Rick weer een rondje aan de zaal weg door een ieder weer hoofd voor hoofd aan te wijzen. Jouwenjouwenjouwenjouwen....Word je daar nou niet doodziek van, Rick? Als hij klaar is, is hij er rechts in het midden nog een paar vergeten, dus gaat het jouwen nog even door. Hierna neemt hij afscheid en de groep verlaat handopstekend de bühne.
Niet lang daarna komt men terug voor de toegiften. Als iedereen weer op het podium staat, scandeert de zaal ineens weer het aan vroeger tijden herinnerende Theotheotheo, dat veroorzaakt wordt door het feit, dat achterop zijn rode van FC Utrecht geleende shirtje zijn voornaam boven een grote 1 te zien is. De zaal houdt niet op met scanderen. Rick kijkt eens verbouwereerd naar Theo, doet een stap naar achteren en kijkt achter op zijn shirt. Hierna houdt men op en kan de groep beginnen. Van Dichterbij dan ooit wordt dit keer eens niet Paradijs, maar Zeg nooit nooit gespeeld, dat de Kecks slim van een dubbele bodem hebben voorzien. Altijd voor het eerst wordt nog niet voor het laatst gespeeld. Achter glas maakt de toegift alleen maar langer natuurlijk. Vlak voor het derde couplet wordt weer een pauze ingelast, waarin het de bedoeling is, dat het publiek stil is. We horen aan alle kanten ssshhhh....maar het geroezemoes sterft maar ten dele af. Rick gaat verder als hij zelf het geroezemoes niet meer hoort. Hierna is het echt afgelopen en verlaat men definitief de bühne.
In het halletje naast de grote zaal is het een drukte van belang bij de merchandising. Als kippen verdringen de fans zich vlak voor de door de band aangeboden spullen, waaronder CD's, videobanden, balpennen, boeken, shirts in maten en soorten, petten en wat al niet meer. Geen dameskorsetten in ieder geval. In een hoek zijn een paar ceedeetjes te koop voor vijftien gulden. Het zijn ceedeetjes zonder boekjes. Alleen voorzien van de doosjes. Verderop rechts is het gastenboek. Ik blader er eens in en vind de regel terug die ik er eerder in geschreven heb. Op een bladzijde staat namelijk een regen aan ronde hoofdjes, die zielig kijken. Daaronder de tekst zo voelen wij ons. Daarnaast tekende ik ronde lachehoofdjes, met daaronder de tekst: en zo voel ik mij, want de herinnering blijft. Een paar jongens en meisjes schrijven er ook nog wat in. Een van hen heeft de grote LP van Andere Plaats Andere Tijd bij zich, waarvan eerder op de avond Een dag zo mooi is gespeeld. Bij het doorbladeren van het boek valt op, dat er ook veel stompzinnige taal in staat, die er beter niet in geschreven had kunnen worden. Maar iedereen is in de gelegenheid er iets in te schrijven en dus kun je dergelijke braak ook verwachten. Aan de overkant zie ik een jonge blonde vrouw met een exemplaar van Een op een miljoen/Betaalde liefde.

"Had je die nog niet?"
"Nee, ik ben nog nooit bij de groep geweest. Dit is de eerste keer. Ik ben met de anderen meegegaan."
"Dan is het mogelijk meteen de laatste keer. Dan moet je alle anderen dus eigenlijk nu ook kopen."
"Ja, ach. Ik heb meer bezigheden. Ik ben ook moeder van vijf kinderen."
"Vijf kinderen? Hoe speel je dat klaar? En allemaal bij dezelfde man?"
Haar man staat naast haar en volgt het gesprek geamuseerd. Ik vertel, dat ik een collega heb, die een andere collega iets om de tuin aan het leiden was. Hij zei, dat hij een kind van negen en een kind van vijf had en dat hij waarschijnlijk binnenkort een kind van zeven er bij zou krijgen. Ik kwam er bij en nam dat laatste op het puntje van mijn tong. De collega gaf mij een knipoog. De andere collega was secretaresse en snapte er even niets van. Een kind van negen...een kind van vijf..."en ik krijg, als alles meezit, er binnenkort een kind van zeven bij..." Toen ging die ene collega het uitleggen: "Nou kijk," zei hij. "Ik zit momenteel in een echtscheidingsprocedure, maar die zal spoedig afgerond worden. Hierna is de weg vrij voor een nieuwe vriendin, met wie ik ga samenwonen. Die brengt een kind van zeven jaar mee." Oei, dat schokte de secretaresse wel even. Dat had ze niet verwacht. Ze hield het meest van degelijke huisvaders. "Ik ook," zei de collega, "maar mijn vrouw werkte niet echt mee." Voor mij was deze situatie niet echt iets om geschokt over te raken. Eenentwintig jaar in het maatschappelijk leven maakt, dat ik veel samenlevingsvormen gewoon direct naast me heb zien staan. Dus hoezo geshockeerd? Voor deze secretaresse, kennelijk nog wat wereldvreemd of van de oude stempel, was dit even iets om van bij te komen. En dat in een tijd dat een op de drie huwelijken op de klippen loopt.
"Nou tegen onze situatie wordt ook wel eens met verbazing aangekeken, hoor," zegt de blonde vrouw. "Wij zijn al 20 jaar getrouwd. Dat verwacht je ook niet zo vaak meer tegenwoordig."
"En je hebt vijf kinderen," haal ik nog even aan.
"Ja, de oudste is achttien en de jongste is twee."
"Slaap je dan wel eens een nachtje niet?" vraag ik, daarbij denkend aan het gezin, waar ik vandaan kom. Ik heb nog drie broers. Dat hield mijn ouders wel eens een nachtje bezig, hoor. Vooral 's nachts pieker je over hetgeen je overdag meestal laat liggen, omdat andere dingen dan je aandacht vragen. Raymond van 't Groenewoud zong ooit: De nacht brengt vreemde uren.
De vrouw wuift alles weg. "Nee, hoor, Valt wel mee," zegt ze.
Ik vertel dat ik door een stroomstoring op het Haagse Centraal Station een deel van het concert moest missen. Maar de vrouw zegt, dat zij, onderdeel uitmakend van een groter gezelschap, ook later kwam en wat miste. De weg naar Tivoli was ook nog niet zo gauw gevonden. En dat woont dan met man en kinderen in Soest, onder de rook van Utrecht.
"We gaan niet zo vaak naar concerten. Mijn man is een keer naar Yes geweest." "Ik was daar in 1991. Toen de formatie zich verdubbelde om Union uit te brengen. De groep speelde op een grote, ronddraaiende schijf. Het publiek stond er gewoon omheen."
Een andere vrouw, iets donkerder haar, eigenlijk koperkleurig, komt zeuren om te dansen.
"Misschien wil hij wel met je dansen," zegt de blonde. "Dit is mijn zus," stelt ze aan mij voor. De andere vrouw begint tegen mij aan te zeuren. "Flower power," is het eerste dat ik van haar hoor. "Flower power?" vraag ik verbaasd. "Ja, dat weet je toch nog wel? De Flower power?"
"Dat is nog net voor mijn tijd. Ik luister sinds 1968 naar muziek. De Flower Power zit daar nog net voor." Ik hou nog maar even geheim, dat ik ook van voor 1968 muziek in mijn kast heb staan en dat er een doos met vier cd's Monterey Pop bij mij thuis staat.
De vrouw zeurt nog wat tegen mij aan, maar verzoekt daarna haar zus om met haar te dansen. De blonde vrouw laat zich meesleuren en loopt weldra, haar hand vasthoudend, achter haar zus aan.
"Je hebt vijf kinderen, dus je bent gehard," stel ik vast.
Ze imiteert een zeurend kind. "Mamaaa...mamaaaa..."
Ik heb zelf ook maar weer de zaal betreden. Op de deur stond nog Jassen en tassen in de garderobe. Dat laatste is me vanwege de haast niet meer gelukt. Ik sleep mijn tas dus overal voort. Ik loop tegen de man van de blonde vrouw van zo-even aan. "O, sorry!" roep ik en klop hem dan op zijn schouder. De man verandert niet. Ik loop de zaal in en waag maar eens een dansje, hoewel mijn voeten erg zeer doen van het lange staan. Als je danst voel je het niet meer en ik heb de volgende dag een hele dag de tijd om uit te rusten. Twee opvallende meiden staan vlak naast me te dansen. De blonde is in eerste instantie de leukste. Ze heeft een blauw spijkerjasje aan, dat ze weldra uitdoet en een rood sjaaltje om. Ook heeft ze een zwart truitje of shirtje aan. Een meisje met donker haar heeft continu haar mond ietsje open. Ze heeft leuke ogen en donker, halflang haar, dat van voren in een pony zit. Door het dansen valt er wel eens een lok op die pony. De donkere is een echte haaibaai en ziet mij wel zitten of zoiets. Een moment zegt ze iets tegen mij, maar ik kan haar niet verstaan door de harde muziek. Een bebrilde jongen komt dansen met het blonde meisje, maar hij danst met haar in het rond, alsof het om een volksdansje gaat. Bij de donkere maakt hij geen kans. Die kan zelf veel beter dansen en op tamelijk exotische muziek danst ze zelfs de lambada of zoiets. De rok gaat daarbij ook nog omhoog. Ho maar, naar beneden maar weer. Ik loop tegen iemand aan. Als ik omkijk, kijk ik in een bruin gezicht, dat me speels lachend aan kijkt. Zou hij het gezien hebben van die rok en hoe ik daarop reageerde? De bebrilde jongen probeert het nog een keer bij de donkere, maar die jaagt hem weg. Vervolgens zegt ze iets tegen mij, dat ook niet verstaanbaar is. Wel is te horen, dat ze een Utrechts accent heeft. Nu en dan moet ik achter in de zaal zitten omdat ik eigenlijk doodop ben. Dat kan ik echter niet zonder gezien te worden door degenen, die daar ook al zitten. Achterin is ook de bar. Ik besluit nog een biertje te bestellen. Een jongen heeft een biertje en een drankje met ijs besteld, Spa of zo.
"Hoeveel kost een biertje hier?" vraag ik.
"Weet ik dat?" antwoordt de jongen. De jongen heeft al betaald.
"Heb je echt geen idee?" probeer ik. "Meestal kun je zoiets wel schatten."
"Nou, vooruit," zegt hij. "Twee vijftig? Twee vijf en zeventig?"
"Veel meer," antwoord ik.
"Ja, ik loop nog achter hoor," zegt hij zich snel verontschuldigend.
"Hou het maar op vier gulden," veronderstel ik.
Bij een blond meisje, dat achter de bar staat, mag ik bestellen. Ik bestel mijn biertje.
"Drie vijf en zeventig," zegt ze.
Nou, dat van mij was ook niet goed dus, maar ik zat er altijd nog dichterbij dan mijn buurman, die er maar een slag naar sloeg. De volgende avond zal ik in De Paap echter weer vier gulden moeten betalen.
Lekkere ouwen draaien ze nog daar in Tivoli. Ze hebben soms dezelfde grilligheid als in Paradiso. Die kan soms ook zo uit de ouwe doos klappen. Een man met een Superman t-shirt staat vanuit de zaal gezien rechts bij het podium te draaien. Een leuke ouwe van de Beach Boys, getiteld Barbara Anne komt er uit, gevolgd door Go Like Elijah van Chi Coltrane. Dus die kennen ze ook nog wel, terwijl ik hem zelf bijna vergeten was. Nu pas valt me op, dat dit eigenlijk een gospelnummer is. Hee kijk daar op het scherm. Tegen de achterwand boven het podium is een groot projectiescherm neergehangen, waar al een hele nacht kleine animatiefilmpjes op te zien zijn. Vooral dansende poppetjes in allerlei houdingen zijn er op te zien. Later in de nacht zijn vreemde lachspiegeleffecten waar te nemen met de vingers van een hand. Maar nu is The Godfather himself er op te zien. Mr. James Brown met zanggroep en orkest brengt ons I got you (I feel good). Onsterfelijk, wat er ook van JB wordt. De enige klassieker, die de George Baker Selection op haar naam heeft staan, Little green bag, wordt ook nog gedraaid. Talk to the left....talk to the right...looking upstairs...looking behind...Dat moet je zo eens met je hoofd doen, precies zoals het gezongen wordt. En dan kijken wat er gebeurt. Op het scherm zijn nu drie jonge groene negers te zien, die gearmd aan het dansen zijn. Beter gezegd op en neer aan het springen. Ook het meest in animatie. Nu de band niet meer speelt valt pas op, hoe groot Tivoli is.
Vlak voor me staat een groep meisjes en een jongen te dansen. De jongen is even weg. Het meisje zegt iets over mijn shirtje, want ik heb mijn trui uitgetrokken, zo warm was het wel. Een Rolling Stones shirt prijkt op mijn bovenlijf. Ooit gekocht....op een andere plek in Utrecht, namelijk Stairway To Heaven op de Rolling Stones fanclubdag.
"Ben jij net zo oud als die mannetjes daar op je shirt?" wil het meisje weten. Ze is een beetje flauw en kinderlijk.
Ik schud mijn hoofd.
"Jonger?"
Ik knik.
De waarheid is, dat de fotootjes van de bandleden oude foto's zijn uit de jaren zestig. Maar toen was ik zelf ook nog maar een jongetje. Het leeftijdsverschil blijft. Ze stelt me voor aan haar vriendin. "Anjo!" zeg ik duidelijk. Ze noemt haar naam, maar ik kan die niet goed verstaan. "Margreet?" vraag ik.
"Ja, Margreet!" Het komt er niet overtuigend uit. Volgens mij wil ze haar echte naam niet noemen. Ze blijft het echter volhouden. De naam Margreet heeft ook met de Stones te maken, zij het dat we daarvoor terug moeten gaan naar het Stones concert op het Malieveld. Niemand is trouwens meer met mijn shirtje bezig. De jongen komt er bij. "Danny," zegt het eerste meisje. "Dit is Danny. Ik ben Cindy."
Ik laat het verder maar zo.
Later in de nacht wordt het beeld op het projectiescherm steeds neurotischer. Getallen onder de honderd komen in sneltreinvaart langs. De muziek draait door. Over het algemeen blijft het de normale dansmuziek met nu en dan een gouwe ouwe er tussendoor. In de hoek van de zaal, vlak voor het podium, staat een meisje, dat, gelet op de lengte van haar haar en haar uitstraling er ook dertig jaar geleden zo uit had kunnen zien. Er komen nog wat vriendjes en vriendinnetjes bij. Een jongen heeft een zwart shirt aan met achterop een tourschema. Ik ga eens achter hem staan en kijk naar wat er op het shirt te zien is. Niet veel om chocola van te maken. Ik laat er mijn vinger eens langsglijden. De jongen kijkt om en merkt, dat ik bezig ben de teksten op zijn shirtje te ontcijferen. Hij laat de voorkant zien. Dat zijn tekens, die naar mijn bescheiden mening geen van allen tot de zesentwintig letters van het alfabet horen. Ik haal mijn schouders op.
"Tool!" zegt de jongen veelbetekenend.
"Tool!" neem ik over. Ter illlustratie demonstreer ik met mijn vuisten het gereedschap. De jongen lacht.
Er wordt een plaat van de Eurhytmics gedraaid, getiteld Sweet Dreams Are Made Of These. Een blonde meid met al aardig wat vouwen in haar gezicht komt vlak voor me dansen. Het lijkt wel of ik mee moet doen. Ik buig me voorover naar haar en vraag: "Ben jij fan?"
Van de Eurhytmics natuurlijk! Maar het is me niet duidelijk of ze dat begrijpt. Ze loopt bij me vandaan. Haar hand gaat recht omhoog alsof ze me wil groeten, maar ze haalt haar hand daarna weer snel terug. Men is bezig aan de laatste plaat. De lichten floepen aan. De nacht is voorbij. Ik loop de zaal uit naar de garderobe en haal mijn jas op. Naast me staat een jong meisje met wat spullen op de toonbank van de garderobe. Bovenop die spullen ligt een zaktelefoontje. Ik word gek. Ik hou mijn duim tegen mijn oor aan en mijn pink tegen mijn mond. "Hallo, met vader!" zeg ik met een diepe basstem. Daarna gaat mijn stem wat omhoog. "Ja, pa, kom je me halen?" piep ik, alsof ik het meisje naast mij ben. Dat schiet dan ineens spontaan in de lach. "'t Is afgelopen, hoor!" voeg ik er met hetzelfde geluid aan toe. Het meisje blijft lachen. Ik loop naar de uitgang. Daar staat de deejay met het Superman t-shirt aan. Op zijn Abba's zeg ik: "Thank you for the music." "You're welcome," zegt hij vriendelijk ten antwoord. Ik geef de portier een fooitje, die een buitengewoon tevreden indruk maakt. Ik loop over de Oude Gracht. Een jongen en een meisje lopen wat te waggelen. "Je bent toch niet dronken, hoop ik?" vraag ik. "Nee, hoor. Zo lopen wij altijd," verzekeren ze me. De Domtoren staat rechts voor me. Een paar raambogen zijn verlicht. Van de vier klokken bovenin is ook wat verlicht, maar niet meer dan de puntjes, waar de cijfers horen te staan en de urenwijzer. De minutenwijzer is niet verlicht, dus niet te zien, zodat slechts ongeveer te zien is, hoe laat het is. Het is bij vieren. Het water houdt op. Ik loop nu door een voetgangersgebied middenin de stad. Het station staat, met NS-logo, al op de witte bordjes aangegeven. Ik kom op een kruispunt, waar de Domtoren nu ineens rechts van me staat. Het bordje, dat daar naar toe wijst, vermeldt: RonDom. Wat een grappige woordspeling. Voor mijn gevoel moet ik daar ook heen, maar kijk toch voor alle zekerheid. Verrek, nee! Ik moet juist de andere kant op. Dat staat tenminste op het bordje. Ik loop de aangegeven richting in. Verderop staat een bushalte: Mariaplaats. Wat? Hier? Als ik doorloop herken ik inderdaad het van de Rolling Stones fanclubdagen bekende pleintje met Stairway To Heaven aan de overkant. Nu is het niet moeilijk meer. Ik loop in de richting van de Catharijnesingel, steek hem over, loop Hoog Catharijne voorbij en loop naar de trambaan, die ik ook weer oversteek om het Centraal Station te betreden. De hal van het Centraal is volkomen leeg. Op het blauwe bord staan in wit alle vertrektijden al aangegeven tot tweeëneenhalf, drie uur na dit moment. Ik zoek de trein naar Den Haag Centraal. Die is er pas om 7.17 uur. Het is nu tien over half vijf. Moet ik zo lang wachten? Er zit niks anders op, want de loketten zijn ook nog gesloten, hoewel er een groepje passagiers op een bankje tegenover de loketten zit in de loketruimte. Ik kijk eens op de gele borden. In blauw en soms in rood worden eveneens vertrektijden aangegeven, maar het lijkt niet te kloppen met wat ik op het bord zie. Ik zoek dan ook de richting Den Haag. De eerste gaat pas na zessen, staat hier. De eerste treinen, die vertrekken, zijn die naar Amsterdam en Hilversum, staat er op het blauwe bord. Mm, dat klopt ook wel met de gele borden. Hoe dan ook ik schiet er niet veel mee op, behalve als ik over Leiden ga, misschien. Ik steek de hal over en ga maar eens op zo'n zwarte ruitjesbank zitten, die mogelijk nog wel eens overgeschilderd zal worden. Tegenover me zit iemand met een bril op met een zwart montuur en blauwgrijze glazen doorlopend verbaasd te kijken, alsof hij niet geloven kan, dat hij op dit uur maar geen trein kan krijgen, die hem even naar zijn bestemming brengt. Een grote bezemwagen, die door iemand in het onderhoudswerkertenue van de gemeente bestuurd wordt, rijdt langzaam over de betegelde vloer en laat vochtige plekken achter op de tegeltjes. Het voertuig rijdt tergend langzaam en laat een prettig soort zoemgeluid horen, dat eerder gedempt als storend klinkt. Af en toe kun je je afvragen, net als thuis, wanneer moeder de vrouw de stofzuiger over de kamervloer laat vegen, of je een ogenblik je voeten op moet tillen. Ik kijk er eens zo'n twintig minuten naar. Het aanblik wordt er niet spannender op: je kan beter naar de formule 1 of de Grand Prix van Zandvoort kijken. Dit gaat erg langzaam. Hoewel de vloer schoon is, blijft de kar er maar langzaam overheen rijden. Wacht even...daar...in de buurt van het lokethuis heeft iemand met ijs gemorst. De kleuren mokka en vanille liggen in een ruime plas over de vloer. Het duurt erg lang voor de bezemwagen die plek bereikt heeft. 't Is net of hij er niet naar toe wil rijden. Ondertussen is boven de loketten in rode elektronische letters op een zwarte achtergrond te zien, dat er een open is. Er staat daar inderdaad een kale man met een bril op en een blauw overhemd aan wat heen en weer te dabberen en zo nu en dan wat uit elkaar te peuteren of zo. Er komt een bedelaar langs, die behalve mij iedereen aanspreekt om een beetje geld. Een conducteur, die op weg is naar zijn werk en het lokethuis wil betreden, geeft met een nijdig gebaar vaan zijn hoofd aan, dat hij op moet hoepelen. Het is iets na vijven. Ik ga het maar eens proberen bij de enige loketbeambte die er is. "Kunt u mij vertellen, hoe laat de eerstvolgende trein vertrekt naar Den Haag Centraal?" vraag ik.
"Om 5 uur 24," antwoordt de man. "Op perron 3. In Leiden overstappen."
"Dan wil ik wel een enkeltje op de rail actief kaart," zeg ik.
"Tien vijf en twintig," eist de man op.
Ik betaal het kaartje en zoek het perron op. Het ligt wat afgelegen. De perrons vanaf vier liggen centraler in de hal. Ik loop de trap af en betreedt het perron waar de trein moet staan. Een groot geel voertuig, dat we normaal als een trein herkennen staat inderdaad aan het perron te wachten tot hij in beweging mag komen. De deuren zijn nog dicht, de lichten zijn nog uit. Het is ondertussen een stuk kouder geworden in de nanacht. Ik had beter handschoenen mee kunnen nemen.

Op het perronbord staat inderdaad, dat de trein om 5.24 uur vertrekt. Daarachter staan stations vermeld, waar ik helemaal niet wezen moet en die ik normaal ook nooit tegenkom als ik van Den Haag naar Utrecht of omgekeerd reis. Hollandse Rading, Sportpark, Hilversum, Baarn, Weesp....Is dit wel de goede trein? Vooraan instappen staat er ook nog eens bij. Ik loop naar voren. Op het voorste voertuig staat Leiden. Dat klopt al aardig met wat de man achter het loket heeft gezegd. Ik loop eens naar een geel bord. In blauw staat bij 5.24 de trein naar Hilversum aangegeven. In rood staat er nog een trein naar Leiden bij. Ik weet het even niet meer. Er staat al een man met een grote tas of rugzak op het perron. Aan hem vraag ik het maar niet. Er komt een man in een groengeel lichtgevend hesje voorbij aan wie iemand iets vraagt over deze trein. Meer mensen weten het dus niet. Het perron vult zich met meer mensen. Eerst vraag ik aan een man met zwart haar waar deze trein naar toe gaat.
"Ik hoop Leiden," zegt de man.
Ik leg uit wat mij zo in verwarring heeft gebracht. De man haalt zijn schouders op. Hij weet het ook niet.
Vervolgens vraag ik het aan een blonde oudere vrouw. Maar die verwijst naar de borden. Daar word ik dus niet veel wijzer van. De borden brengen me juist in verwarring.
Een jonge vrouw met zwart haar heeft handschoenen aan. Dit brengt mij weer bij de kou van het moment. Zij is verstandig, maar veel warmer lijkt ze het niet te hebben daardoor, want ze staat nog te blauwbekken.
"Waar gaat deze trein heen?" vraag ik. Ze verstaat me niet. Ik herhaal mijn vraag.
"Where is this train going?" probeert ze mijn vraag te begrijpen. Ah, ze is Engels sprekend en dat had ik even niet in de gaten.
"Yes," bevestig ik mijn vraag.
"I hope it is Leiden," zegt ze, de naam Leiden ombuigend op de manier, die we van Engelssprekenden gewend zijn.
"The board is telling something else," zeg ik.
"Yes it is," bevestigt ze. "But they told me what I told you. They say it's going to Leiden."
"So we'll trust on it," stel ik voor.
"We have to," zegt ze met enige gelatenheid. Tegen vertrektijd komt de conducteur aangelopen. Hij opent de deuren, die daarvoor de man met het zwarte haar nog tevergeefs probeerde te openen. Voor we instappen moeten we ons vervoersbewijs laten zien. Ik zit in dezelfde situatie als meer mensen. Want ik ben niet de enige die als eindbestemming Leiden of verder heeft. De man ziet mijn kaartje en laat een goedkeurend geluid horen. Nou, laten we er dan maar op vertrouwen dat de trein uiteindelijk Leiden wel zal bereiken. Maar het traject is erg ongebruikelijk. Volgens mij rijdt hij kilometers om. Ik zit in een lege coupe, maar aan de andere kant van het gangpad zitten een man en een vrouw. Zij verzekeren mij, dat ik in de trein naar Leiden zit, maar er voorlopig nog niet ben. De trein zal er zeker vijf kwartier over doen om Leiden te bereiken. Iemand was al verteld, dat de trein pas om kwart voor zeven Leiden zou binnenrijden. Tel uit je winst. Ik ga maar eens een dutje doen.
De trein rijdt een station binnen. Ik kijk om me heen. Weesp, geeft het bordje aan. "Je bent er nog lang niet, hoor," zeggen mijn buren. Ik zak weer weg in slaap. Aardig om hier al wat te slapen. Dat wat ik hier slaap, hoef ik thuis niet meer te doen, hoop ik. En hier slaap ik toch al gauw een uur, denk ik. "Schiphol!"
Hij lijkt in de richting te zitten. Volgens mij heeft hij de zuidrand van Amsterdam al gehad. Mijn bewustzijn wordt steeds troebeler. Maar de mededelingen, in de trein gedaan, laten aan duidelijkheid niks te wensen over. "Hoofddorp!"
We zijn zelfs al in de richting. Slaap ik nu wel goed zo? De bedoeling van slaap is ook dat je het bewustzijn verliest en eventueel in een andere wereld beland, waaruit je dan weer met een schok ontwaakt, bijvoorbeeld door het afgaan van de wekker.
"Nieuw-Vennep!"
Het begint al op te schieten. Zo merk je er toch niks van, dat je een heel eind om reist. Als je maar voldoende kunt slapen, is dat deel van de nacht al heel snel voorbij. Dan hoef je je op dat moment tenminste niet te pletter te vervelen.
"Dames en heren, we naderen station Leiden Centraal! Eindbestemming van deze trein! U wordt allen verzocht deze trein te verlaten." Goh, daar heb ik nou eens echt weinig zin in. Ik zat net zo lekker te slapen. Nou, vooruit dan maar. Ik voel mijn voeten nog meer dan toen ik nog in Tivoli stond. Met de anderen sjok ik mee naar buiten. Oei, wat is het koud!! Zo koud was het in Utrecht nog niet. Je kan echt merken, dat we vlak voor zonsopgang zitten, maar er is dan ook hoegenaamd geen warme lucht op dit moment in deze omgeving. Ik kijk eerst op de gele borden op welk perron ik moet staan voor een trein naar Den Haag. Ik hoef alleen maar door te lopen. Op het ene perron komt om 7.04 uur een trein naar Den Haag Centraal aan. Van hieruit kan ik vast wel op een bus 25 stappen. Maar het is zo koud, dat ik maar doe wat de anderen doe, namelijk wachten op een trein die mij naar Den Haag Hollands Spoor brengt, want die komt eerst, ruim voor zevenen.
De trein rijdt Hollands Spoor binnen. Ik heb geen andere keus dan dit station te verlaten en naar de tram te lopen, die mij naar de stad brengt op een plek, waar ik op kan stappen op de bus. Onderweg zie ik in de hevige koude nog de jonge vrouw met het lange zwarte haar en de zwarte handschoenen langsgaan, aan wie ik in Utrecht al iets vroeg over de trein, die daar toen gereed stond. Nou tot zover dan mijn relaas over het afgelopen weekend. Op zondagmiddag kon ik niet nalaten de derde verrassende groep van het afgelopen Metropolis festival te kopen. Eerder kocht ik er nog twee. Soms duurt het een paar jaar voor er van dit festival wat blijft hangen. Soms, zoals nu, is er sprake van een snelle doorbraak, in dit geval van drie nieuwe groepen. Voor ik het festival bezocht had werkelijk nog niemand van ze gehoord. Ik neem je even mee naar Metropolis in het Rotterdamse Zuiderpark, naast Ahoy, waar de meeste van deze groepen ooit hopen te komen staan, denk ik, in het eerste weekend van juli 2001. Het is zes uur. Ik ben aan een houten tafel met houten bank bezig mijn nasimaaltijd te verorberen.
Als ik klaar ben met eten, verzamel ik mijn vuil en dat wat ik nog op tafel vind bij elkaar en zeg tegen de man: "Laat me u even bevrijden van zoveel afval." De bak met bami laat ik staan. Misschien heeft iemand daar nog trek in, zonder te denken ziek te worden. Alles verdwijnt in de grote afvalbak en ik ga weer verder. Op de Mainstage ga ik nog even kijken naar Train, een behoorlijk muzikaal onderlegde band uit de Verenigde Staten met bijbehorend Amerikaans accent. Zij maken werkelijk goede liedjes en musiceren ook prima. De man achter toetsen bespeelt eveneens de akoestische gitaar. Ramblin'On is een van Led Zeppelin gejat nummer van het tweede Led Zeppelin album. Iets verderop staat iemand met een schitterend Jimmy Page and Robert Plant T-shirt aan. Als ik de cover herken, zie ik naast me een man met ontbloot bovenlijf (niets bijzonders met dit warme weer) en donker krullend haar. Ik maak melding van de cover, maar spreek in het Nederlands met hem. Ik merk dat hij zijn best doet mij in het Nederlands toe te spreken, maar Engels is een beter communicatiemiddel. Vervolgens vraag ik aan de man of hij uit Engeland of Amerika of zo komt, maar het antwoord is Israël. Maar hij woont hier wel. Hij is in het gezelschap van een meisje en een andere jongen, die er Joodser uitzien. De man naast me had ook uit de Verenigde Staten kunnen komen met die aantekening, dat de Joden daar heel erg gelobbyd zijn. Na deze band vindt de boven omschreven actie bij de bank plaats, waarbij ik eerst nog bij de metrohalte kom om aan het bewakend personeel daar te vragen, waar ik de dichtstbijzijnde geldautomaat kan vinden. De ABN AMRO geldautomaat is stuk, dus er zal een stukje verder gelopen moeten worden. Daar vinden we de Rabo geldautomaat, waar ik nog op twee mensen moet wachten. Voor deze keer dan maar weer. Dit kost allemaal erg veel tijd, vooral het lopen er naar toe. En dan heb ik het nog niet over vermoeiend. Je voelt het aan je voeten. Blij ben ik er niet mee met dit mooie weer. Als ik weer terug ben op het festivalterrein, word ik natuurlijk eerst weer gegrepen door het geluid van de Mainstage, dat een uitzinnig soort heavy metalband laat horen. Eenmaal voor het podium staand zie ik, dat het gaat om een Canadees gezelschap. De blanke drummer heeft een wit overhemd aan met een stropdas om. Lekker met die warmte. De bassist en de schreeuwerige man op gitaar zijn negers, vermoedelijk van Jamaicaanse afkomst. Het gaat hier niet om een groep, lees ik in het boekje, maar om "zanger"-gitarist Danko Jones met een ritmesectie. De uitspraak, die in het boekje geciteerd wordt, doet hij ook op de bühne: "You can call me the mango kid, but your girl calls me baby." Het boekje spreekt over het type, dat uitgerekend jouw meisje versiert. Daar heb ik sinds de hoogtijdagen van Mick Jagger en Jimi Hendrix (met Marianne Faithfull) niet meer van gehoord. Toch is het niet alleen de Mainstage, die voldoende brengt waar je naar kunt kijken en luisteren. Ook in de Rotown Paradiso tent vinden we nog genoeg om van te genieten. Tussen 8 en 9 vinden we daar een Amerikaanse band, genaamde The Strokes. Omdat ook in programmaboekjes wel eens fouten worden gemaakt, is het moeilijk deze band terug te vinden en zien we, dat daar deze band op de Mainstage staat aangekondigd. Een enkel ogenblik denk ik nog My Vitriol op de bühne te zien. Een leuk en aardig meisje van Surinaamse, of mogelijk Indische komaf, helpt me uit de droom. Ze wijst naar de bassdrum, waar de naam van de groep toch duidelijk op staat. Maar waar ik aan denk is, dat ze net zo goed de bassdrum van een andere band overgenomen zouden kunnen hebben. Dat heb ik wel eens vaker gezien. In Amsterdam zag ik op het Leidseplein op een balkon een band spelen met het drumstel van de Brandos, zonder dat ze de Brandos waren, want die ken ik wel. Men neemt soms elkaars spullen over. Maar goed. Het zijn toch de Amerikaanse Strokes, waar we naar kijken. Hoewel ik erg het gevoel heb naar een Engelse band te kijken, want de muzikanten zien er uit alsof ze zo uit de jaren zestig zijn gestapt. De meeste leden hebben een stropdas om en de zanger zelfs een colbertjasje, waarvan de binnenvoering van het jaszakje wel een eind naar buiten hangt. Hij corrigeert dat later weer. Hij heeft zeker een poos met die hand in die zak gestaan en hem er toen snel uitgehaald. De muziek is snel en neurotisch, maar ook melodieus pakkend. Het enige waar ik op kom om aan te denken is Katrina and the Waves. Te flauw voor woorden, maar iets anders kan ik echt niet bedenken. Wat hun uitstraling betreft lijken ze het meest op de Kinks uit de al genoemde jaren zestig. Inmiddels heb ik het boekje erbij, daar worden vergelijkingen gedaan met de Velvet Underground. Iets waar ik het totaal niet mee eens ben, want dat klinkt heel anders. De zanger wordt zelfs met Lou Reed vergeleken en dat slaat helemaal nergens op! Toch gaat het om een goeie band. In de verte zie ik wel beelden, die passen bij een groep van Richard Janssen. Maar zover zullen we niet gaan. Beter is het om de groep te waarderen op eigen klasse, die ze, dat merken we voorzichtig dan maar op tenminste, ook wel hebben.

Ook deze band doet nog een toegift. De zanger heet volgens het boekje Julian Casablanca. Misschien ook wel de moeite waard om te vermelden. Misschien zien we deze band nog eens terug, je weet het niet. Op de Mainstage is al een band begonnen te spelen, die My Vitriol heet. In het boekje vinden we dan weer de noodzakelijk geachte vergelijkingen terug, want anders komt het publiek natuurlijk niet, als er niet iets te herkennen valt. Nirvana, Placebo, Smashing Pumpkins (zelf ooit op Metropolis)… Horen we dat allemaal, mensen? Belangrijker is, dat we een groep horen met een eigen soort gothic sound en met zo te horen ook goeie songs. Deze band is een waardige afsluiter van een festival, waar ik welgeteld toch nog zes bands van heb gezien. Het kunnen er ook meer geweest zijn. Ik gluur nog even in de Waterfront tent, maar daar staat een manifestatie plaats te vinden onder aanvoering van Martin Luther King, geloof ik. Daar is het nu te heet voor. Het wordt tijd om het metrostation op te zoeken. Wat kan het soms goed zijn om festivals te bezoeken, nietwaar? Je kan er nog wat van opsteken voor de toekomst.

Leesvoer