Verhaal van Rick de Leeuw, Nieuwe Revu februari 2001

Eeuwig Buitenspel
Daar staan we dan, de zelfverklaarde helden van de groene mat. Rillend, katterig, onszelf vervloekend. Slachtoffers van onze eigen grote mond, nog maar 'ns een keer. Zaterdagmiddag, Buitenveldert.
Om mij heen mannen die, net als ik, naast hun eigen loopbaan al een leven lang de parallelle droom koesteren van een succesvolle voetbalcarriŔre. Mannen die, net als ik, er nog jaren over zullen doen om schoorvoetend te accepteren dat ze nooit met de Europacup in de handen zullen staan na een finale waarin hun doelpunt in de laatste minuut van de verlenging pas de zwaarbevochten overwinning bracht. Toegejuicht door de tienduizenden op de tribunes. De beloning na een leven lang streven. Nee, de finale van ons voetballend bestaan speelt zich af op veldjes als dit. Winderig, verafgelegen, en afgetrapt door de tienduizenden die, net als wij, de zaterdagmiddag op versleten kicksen doorbrengen. Het misschien wel allerlaatste paar, knellend rond de vermoeide voeten. De werkelijkheid voelt koud en ontnuchterend. Verder weg dan ooit de woeste jongensromantiek, toen de droom nog een grootse toekomst had. Verder weg dan ooit het door de jaren heen almaar fraaier gekleurde verleden. De onontkoombare nederlaag in het gevecht met de voortschrijdende tijd en zijn invallende duisternis dreigt in de dubbele cijfers uitgedrukt te worden. Wat doen we hier? Waarom staan we hier in godsnaam?

--

'...Die daar, dat wordt een hele grote, dat zie je zo...'
Als ik na een rush langs de zijlijn terugloop naar eigen helft hoor ik ze aan de andere kant van het hekje praten, de oude mannen die elke week naar de junioren komen kijken om te zien of er iets tussen zit dat de moeite waard is. Van welke club zouden ze zijn? Waarschijnlijk niet van Ajax. Ze zien er, in hun grijze jassen en wolken sigarenrook, niet professioneel genoeg uit. En ze schrijven niets op, en dat hoort toch wel als je scout voor Ajax bent.
Maar misschien zijn ze juist vermomd als oude mannetjes en zijn het in werkelijkheid de spionnen van Meneer Michels. Scouts van Ajax mogen natuurlijk niet zomaar overal langs de velden gaan staan om doodleuk de beste voetballers van de club af te pikken.
'...Watervlug en veel scorend, eentje om in de gaten te houden...'
Ze onthouden natuurlijk alles om het straks, als niemand het ziet, te noteren in geheime schriftjes die ze in de loop van de week verder uitwerken voor de besprekingen met Meneer Michels.
'En, spionnen...?'
Meneer Michels kijkt op maandagochtend in het kantoortje onder het stadion zijn scouts een voor een aan. Aan de lange tafel zitten wel twintig van die oude mannetjes in grijze jassen sigaren te roken. Voor hen op tafel de schriftjes.
'Jullie weten dat we al tijden op zoek zijn naar een linkspoot, watervlug en veel scorend. Hebben jullie iets gevonden?'
'Ik heb zaterdag een voetballertje gezien, dat wordt een hele grote,' zegt mijn oude mannetje, en met een glimlach slaat hij zijn schriftje open.
'Kijk, hier staat 't. Watervlug, linksbenig en veel scorend.'
'En, heb je zijn naam, adres en telefoonnummer genoteerd?'
Meneer Michels houdt er niet van om tijd te verliezen. Waarschijnlijk bellen ze maandag meteen al. Straks niet vergeten thuis te waarschuwen dat er maandag een belangrijk telefoontje komt.
'...He, doe je nog mee of hoe zit dat? Achter je! Dekken die back!...'
Ik schrik als de aanvoerder van ons team me toeschreeuwt. De wedstrijd is nog altijd in volle gang. Gehaast loop ik mee met de rechtsachter van de tegenstander en algauw ben ik in de rol van linkermiddenvelder gedrukt. Ook vandaag is er weer geen beslissende rol voor me weggelegd. Gelukkig blijkt na afloop in de kleedkamer dat de oude mannetjes niet van Ajax zijn maar van het bejaardentehuis even verderop.
'Die kerels wachten tot ze in de kantine de fles jenever openschroeven,' weet Olivier grinnikend, 'In het tehuis krijgen ze dat niet.'
Ik lach omdat iedereen lacht, en omdat ik opgelucht ben dat het geen scouts zijn. Volgende week beter.

--

'Diep!...'
Ik schreeuw en met een plotselinge sprint pak ik in een oogwenk drie, vier meter op de verbaasde voorstopper van Westeneinde 4. Hun laatste man staat volledig verkeerd opgesteld aan de rechterkant van de as, dus op links ligt de vrije doorgang. De gezellige dikkerd die ze vandaag bij Westeneinde 4 bereid gevonden hebben om te keepen appelleert met wilde gebaren voor buitenspel. Geen sprake van natuurlijk. Meters binnen! Waar blijft die bal nou? De grensrechter vlagt en wijst naar mij. Maar dat is toch verdomme godsonmogelijk! Een snerpend fluitsignaal bevestigt mijn vermoedens, uitwedstrijden tegen Westeneinde win je nooit zomaar. Hadden ze die bal nu maar wat eerder gespeeld, dan had die lul aan de zijlijn nooit durven vlaggen. Woedend draai ik me om.
'Zeg, wat is er vandaag aan de hand? Jullie zien toch dat ik diep ga? Speel 'm dan eerder, ik blijf niet al die meters maken...'
'Het was buitenspel.'
'Het was helemaal geen buitenspel!'
'Er is gevlagd en er is gefloten voor buitenspel.'
Tim, onze aanvoerder, blijft kalm en geeft de bal aan de tegenstander. De scheidsrechter fluit, de vrije trap mag genomen.
'Ik had nog meters en meters, die grensrechter is blind.'
'Ach man, schei toch uit met dat gemekker.'
'Ja, maar zo is het toch niet leuk. Ik kon alleen op de keeper af...'
'Zoals hij nu, bedoel je?'
De spits van Westeneinde 4 is doorgebroken en stormt op het strafschopgebied af.
'Haal hem neer,' schreeuw ik onwillekeurig.
Tim kijkt me aan en schudt zijn hoofd.
'Ja, en zij dan?' voer ik ter verdediging aan.
'Ben jij wel helemaal lekker?' vraagt hij op meewarige toon. 'Denk toch 'ns na!
Zaterdagmiddag, Westeneinde 4, en jij schreeuwt dat iemand neergehaald moet worden! Man, word wijzer.'
Beschaamd wacht ik bij de middenstip tot we weer mogen aftrappen.

--

Dat blonde mokkel van hiernaast zet haar rode sportwagen voor de deur. Krijg nou wat, ze loopt niet haar eigen huis binnen, nee, ze komt recht op mijn deur af! Ik hoor haar voetstappen en ik glimlach. Eindelijk, bingo. In gedachten zie ik haar slanke vingers reiken naar de deurbel. Haar vuurrood gelakte nagels strelen de deurpost. Het rinkelen klinkt verrukkelijk en indringend tegelijk.
'Wakker worden,' roept ze.
'Voor jou ben ik al weken klaar en klaarwakker,' roep ik met fluwelen stem. Dit belooft een fraaie dag te worden.
'Opstaan, eikel!'
Een lichte verbazing maakt zich van me meester. Een strenge tante, zoveel is zeker!
'Het is godverdomme al bijna elf uur, over tien minuten begint de wedstrijd.'
Ik open mijn ogen en doe ze snel weer dicht. Mijn god, wat heb ik gedaan vannacht? Zelfs mijn kater heeft hoofdpijn. Op de tast zoek ik naar de wekker. Hoe laat is het? Een dreunende koppijn vertelt me precies hoe laat het is. Het is tijd om te voetballen. Gehaast gris ik mijn her en der verspreide kleren bijeen en kleed me onderweg naar de keuken aan. Twee saridon en een glas melk als eerste hulp. Mijn voetbaltas staat al ingepakt onder de kapstok. Of beter, mijn voetbaltas staat er nog hetzelfde bij als ik toen 'm daar vorige week heb weggezet.
'Waar bleven jullie nou?'
In de kleedkamer is de ontvangst allesbehalve hartelijk.
'Jullie?' roept Olivier boos. 'Ik was keurig op tijd bij hem, maar hij lag nog in zijn nest.'
'We waren met z'n achten toen de wedstrijd begon. Eentje minder en we hadden hier helemaal voor niets gestaan!'
Tim neemt een slok van zijn thee en zet het bekertje vloekend op de massagetafel.
'Bloedheet verdomme. Dus we staan 3-0 achter dankzij de bereidwillige medewerking van deze sukkel hier die zich weer eens verslapen heeft?'
'Zet 'm grensrechter, dan leert hij het misschien eens,' mompelt Flip in een hoek van de kleedkamer.
'Je doet mee of je doet niet mee, dat is zo.'
'We kunnen gewoon niet op die gast rekenen, of wel soms?'
Net als ik ter verdediging iets wil zeggen, trek ik mijn shirt uit mijn tas en zie de modder van vorige week op de mouwen, ruik de wee´ge lucht van het natte textiel en weet dat ze gelijk hebben.
'Jongens,' zeg ik, terwijl ik mijn shirtje terug in mijn tas stop, 'het wordt tijd dat ik ermee stop.'
Zwijgend zitten we in de kleedkamer, tot er geklopt wordt en de scheidsrechter zijn hoofd om de hoek van de deur steekt.
'Zie je wel, jullie zijn er nog wel. Zin in de tweede helft mannen?'
Als het getik van de noppen in de stenen gang uitgeklonken is, kleed ik me uit en ga onder de douche staan. Ook dat nog. Het warme water is op.

--

Zaterdagmiddag, Buitenveldert. Viggo geeft een hoge voorzet. Met een verwoestende trap in gedachten storm ik de zestien binnen. Ik raak de bal niet zoals bedoeld, maar als een granaat slaat hij achter de stomverbaasde keeper in. Terwijl ik terugloop naar eigen helft speur ik de zijlijn af naar de eventuele toevallige passant, de scout waarop ik al mijn hele leven stiekem wacht. Sommige dingen veranderen nooit.

Leesvoer