Recensie van het concert in Patronaat haarlem, door Anjo v/d Wal.

Tröckener Kecks
Het is december 2001 en de Tröckener Kecks lopen op hun laatste benen. Op 7 december zag ik ze al (gedeeltelijk) in Tivoli. In Haarlem (13 december) en Dordrecht (15 december) heb ik alsnog gelegenheid om ze twee keertjes te zien. Maar dan is het ook afgelopen. Eerst Haarlem. Dat vindt plaats op 13 december en ik moet daarvoor naar 't Patronaat. Onder nummer 141 heb ik bij de VVV in Haarlem gereserveerd en tussen half negen en kwart over negen kan ik mijn reservering ophalen. Voor ik vertrek woon ik eerst een kerstviering bij van een van de vier grote DG's op het Ministerie van Economische Zaken. Bij DGO wordt de kerstviering gestart met een uurtje zangles. Een dirigent is daarvoor even uit het buitenland gewipt en weet van de noten en de tonen af. Hierna volgt een borrel. Als ik weer buiten ben, zoek ik het Centraal Station op om mijn retourtje Haarlem op te halen en de trein te pakken zien te krijgen. Aan het loket wordt nog steeds Haren verstaan, in plaats van Haarlem. Maar Haren ligt tussen Assen en Groningen en het zal nog wel even duren voordat ik daar moet zijn. Vervolgens loop ik naar de trein, die mij uiteindelijk naar Haarlem moet brengen. Ik zit in de rookcoupe. Aan de andere kant van het gangpad zit een meisje met lang blond haar, dat je niet moet wagen om aan te spreken, want ze blaft terug, hoor! Reken maar. Daartegenover zit nog iemand, die er al snel uit is. Het meisje leest wat verveeld haar krantje. De trein zet zich in beweging. Na verloop van tijd verlaat ze de treincoupe, alsof ze me zat is. Evengoed weet je maar nooit, wat er in haar omgaat. Niet veel later zie ik haar weer terugkomen in tegengestelde richting en ze loopt de coupe weer uit. Later arriveert ze weer en gaat zitten op de plaats waar ze zojuist ook al zat. Toiletbezoek dus. Dat kan niet missen. Hierna komt de conducteur aan wie ze iets vraagt. Ik heb muziek aan dus ik kan het hele gesprek niet volgen en was er eerlijk gezegd ook niet in geïnteresseerd. Er is een ding dat me wel verrast. Het meisje verandert op slag als ze iets aan de conducteur vraagt. Ze lacht en is bijzonder aardig tegen hem alsof ze hem nog zo'n spetter vindt. De conducteur verlaat even de coupe om iets op te zoeken en keert dan weer terug, waarna hij vervolgens weer met het meisje converseert. De trein rijdt verder. We zijn Leiden al voorbij en rijden nu ergens richting Noordwijkerhout, terwijl het eerder in Voorhout vrij lang duurde. De conducteur is inmiddels verdwenen en het meisje is inmiddels weer verdiept in haar lectuur.
Dan komt de conducteur weer terug.
"Wilt u alstublieft in een van de voorste treinstellen gaan zitten? Ik krijg de deuren niet dicht hier."
We gehoorzamen schoorvoetend. Het station waar we gestopt zijn, heet Hillegom. Hier traden The Beatles ooit op. Tegenwoordig woont René Houwaard er en die heeft allerlei platen, curiosa en ander materiaal van de Stones in huis. De trein rijdt verder en verlaat het dorp dat zich onsterfelijk gemaakt heeft met de Beatles en de Stones. We rijden naar de plaats, waar een van Nederlands grootste rocksterren aller tijden is geboren. Dat is Rick de Leeuw. Hij treedt er ook op met zijn groep. Rick and his Alligators. Is dat dan geen passende naam om trots op te wezen? We houden het voorlopig op de Tröckener Kecks. Ik heb mijn muziek nog steeds aan. Terwijl we door Vogelenzang rijden, start een van de oudste liedjes, die Boudewijn de Groot ooit opnam. Dat is Strand en daar zijn we toevallig ook niet ver van af. Nog toevalliger rijdt de trein een plaats binnen, waar station Heemstede-Aerdenhout gevonden wordt. Heemstede geldt niet als de geboorteplaats van De Groot. Die moet ergens in Indonesië liggen. Heemstede is wel een plaats waar hij met zijn familie lange tijd gewoond heeft en misschien nog wel woont. Ciao Bou!
We rijden Haarlem binnen. Ik heb nog steeds niet gegeten. Misschien is er een snackbar open of zo. Ik wil ook niet teveel tijd verspillen, want het is al rond de klok van achten. In de stationshal zijn nog wel wat eetgelegenheidjes, zoals een automatiek en Smuller's. Maar dat is me al gauw te goedkoop. Liever hou ik het op een zaak in de stad. Maar een fatsoenlijke is zo gauw niet te vinden en ik loop maar door richting Patronaat. Na de Kruisweg volgt de Barteljorisstraat, waar nog druk gewinkeld wordt. Koopavond in Haarlem. Kan niet missen. Mijn walkman doet wat vreemd. Hij trekt wat kromme lijnen. Daar is een Kruidvat...en die heeft warempel nog batterijen ook! Ik kan mijn muziek niet afwachten. Ik haal mijn oren leeg en stap naar binnen.
Bij de toonbank hangen ze al aan haakjes, de Duracels die ik hebben moet. Er is echter niemand achter de toonbank. Eens even de winkel rondkijken. Daar is een juffrouw...en daar is een juffrouw. Ze zijn druk bezig om een hernia te krijgen van het diepe bukken.
"Zeg het maar."
Ik kan dat nog net verstaan. Of net niet. Ja, wat is het nou: net wel of net niet? Laten we het houden op net niet. Dan weet ze meteen dat dit geen manier is om je klanten te helpen, want ze staat nog voorovergebogen over haar werk. Weliswaar achter de toonbank, maar nog een eind van me af. En haar mond staat totaal de andere kant op. Dus ik moet haar wel niet verstaan hebben.
"Wat kan ik voor u doen?"
Dat klinkt beter.
"Nou, begin eerst eens al die beleefdheid overboord te gooien. Ik ben gewoon gezellig "jij" en afstand en correctheid, daar ben ik niet zo van gediend. Ik ben op zoek naar Duracel Penlight batterijen."
"Oeee!" De mevrouw loopt haar voorraad eens na. "We hebben ze wel van Philips en van Panasonic. Nee, van Panasonic ook niet. Philips wordt het dan."
"Philips is vragen om moeilijkheden," stel ik vast. "Duracel gaat het langst mee."
"Dan denk ik niet dat ik je kan helpen," of zei ze toch weer u? Sommige mensen slikken de persoonsvorm tegenwoordig in als ze me aanspreken om twijfel te voorkomen. "O, wacht!" roept ze ineens. Een aantal verpakte batterijen speciaal voor kleine fototoestelletjes of zaklantaarntjes worden even van de haak gehaald. Daar komen de penlights tevoorschijn.
"Nou, toch nog gelukt," zegt ze opgelucht lachend. "Dat wordt dan elf vijftig, meneer."
"Nee, ook geen meneer!" roep ik gedecideerd. "Zo heet ik helemaal niet. Noem mijn vader maar zo. Die vindt dat niet erg."
"O, maar ik ken uw vader helemaal niet."
"Des te beter," antwoord ik. Hierna betaal ik het geld en loop met mijn nieuwe buit zo de winkel uit. Ik heb mijn tas bij me, want ik heb nog een heleboel cassettebandjes meegenomen. Die wil ik nog allemaal draaien, want bij de meeste ben ik al ver over de helft. Naar en van Haarlem moet dat lukken. Vanuit de Barteljorisstraat loop ik naar de Grote Markt. Daar sla ik rechtsaf en loop door een wat minder van winkels voorziene straat, die overigens nog wel wat geldautomaten heeft. Maar pinnen heb ik al op de Kruisweg gedaan, toen het nog net effe niet druk was.
Het is best wel weer koud aan het worden. Het was onderweg van Utrecht naar Den Haag over Leiden ook al zo koud. In Leiden was het het koudst, want dat was vlak voor zonsopgang. Ik nam me toen voor de eerste de beste keer dat ik ergens heen moest handschoenen mee te nemen. Nou, je ziet het..
Goed, koud of niet. Voorlopig moet ik de weg nog vinden naar het walhalla van de Tröckener Kecks. Ik ben al een eind, maar ik moet de Zijlsingel nog vinden. Ik doe nog een poging om het aan de weet te komen.
"Ben ik zo op weg naar het Patronaat?" vraag ik aan twee mannen, die in tegengestelde richting langs mij willen lopen.
De handen komen uit de zakken en het hoofd komt tussen de schouders vandaan. Een van de twee wijst in een richting rechts van me. "Daar moet je zijn en dan loop je er recht op af.," zegt hij.
Ik volg zijn advies. Dan herken ik de buurt, waar het Patronaat aan ligt. Een brug over het water. Daarachter en daarvoor een kruispunt. Nogal druk kruispunt ook, dus uitkijken met oversteken, want er zijn wel verkeerslichten...maar niet voor voetgangers. Ik zie het Patronaat al staan. De rood verlichte letters staan boven de deur. Er dromt al het een en ander voor de deur. Hij is nog dicht. Ik moet even geduld hebben. En het is al zo koud.
Ik ga midden in de menigte staan. Tegen de eerste jongen, het beste meisje zeg ik:
"Hij is nog dicht."
"Ja, hij gaat zo open."
Ik lees eens op de deur. "Uitverkocht. Ik moet mijn reservering nog ophalen." "Wij hebben nog twee kaartjes over."
Dat is goed nieuws! "Voor hoeveel?" vraag ik.
"Twee stuks."
"Voor hoeveel?" benadruk ik mijn vraag.
"O, gewoon voor de kostende prijs." Beter kun je niet hebben. Bij de Bintangs had ik dat ook al een keer hier voor de deur van het Patronaat. Ik pak mijn portemonnee en haal de kersverse honderd gulden er uit, die ik zo uit de geldautomaat vandaan heb.
"Je moet wel even terug hebben, hoor!" zeg ik. "Want ik heb ook nog gepind." De jongen en het meisje halen de twee overgebleven kaartjes tevoorschijn. Ook de portemonnees worden gelicht. Met vereende krachten weten ze me drie briefjes van vijf en twintig te overhandigen. Ik overhandig de honderd gulden en krijg ook nog mijn kaartje, dat door het meisje van het andere kaartje wordt gescheurd.
"Nou nog die andere kwijt zien te raken, zeker," zeg ik.
"Ja, er werden er twee ziek, dus konden we ze weer kwijt zien te raken," zegt de jongen, terwijl hij probeert zijn stem te verheffen en te roepen: "Kaartje te koop!"
Ik lummel nog eens wat met de anderen rond en adviseer de jongen en het meisje nog niet meteen naar binnen te gaan, want dan raken ze hun kaartje niet meer kwijt. Ja, spijtig genoeg moeten ze dan het begin ook missen. Of er moet zich snel iemand aandienen, die echt geïnteresseerd is en niet van plan was de moed op te geven.
Voorlopig ben ik binnen. In Haarlem sluis je naar binnen. Een ijzeren hek verdeelt de ingang in tweeën. Rechts de mensen, die al een kaartje hebben, links de mensen die er nog een moeten kopen. Dat heeft vanavond geen zin meer natuurlijk. Iedereen gaat gewoon door dezelfde sluis naar binnen. Een vrouw vecht nog met de neiging haar been over het hek te gooien om de andere kant te nemen, maar ziet er toch van af, zeker als ik haar, wellicht ten overvloede, verzekerd heb van het zinloze van het gebaar.
"Waar is je kaartje?" vraagt een vriendelijke man aan het eind van het hek. Ja, zeg, die had ik misschien wel op moeten halen aan het loket met vermelding van mijn nummer! Het is maar zeer toevallig, dat ik die bij me heb. Ik ben wat je noemt gematst.
De man scheurt het strookje er af. Ik loop de bredere gang in en zie links de zaal, waar op een gekleurde poster, die voor de helft nog zwart is (ouwe opmaak) de groepsnaam op de deur bevestigd is. Een blik naar binnen leert, dat het podium daar staat met achterin het vertrouwde drumstel. We komen net uit de kou. De warmte van de zaal kust onze koude ledematen en onze koude gezichten. Sommige mensen reageren verrukt en opgelucht.
"Hier brandt de kachel," stel ik vast.
Bij de garderobe hang ik mijn jas op. Al het personeel, vanaf de portier bij de deur, is getooid met een T-shirtje uit de ruim opgezette collectie van de band. Meer niet staat er op het shirtje. De titel van een van de liedjes van de laatste cd en dus treffend de naam van de tour.
Als mijn jas en tas opgehangen zijn en ik mijn nummertjes opgeborgen heb, loop ik de zaal binnen. Bij de deur de merchandising, waar bassist Theo Vogelaars te vinden is, af en toe afgeleid door deze of gene die binnenkomt. Een keur aan prullaria hangt weer aan het kraampje. Petten, T-shirts in alle maten. Natuurlijk alle cd's en hun restanten, posters, bermuda's (lekker warm met dit weer), boeken, videobanden. Ik twijfel..zal ik nog wat kopen of zal ik wachten? Ik lijk The Clash wel!
Een jongen zegt tegen mij, dat hij nog wat op Internet besteld heeft. Theo mengt zich in ons gesprek. "Dan kun je 'm beter hier kopen," zegt hij met zijn Brabantse accent. "Want bij Internet.." er volgt een ruime uitleg, waarom de jongen zijn artikel beter bij Theo kan kopen, dan te wachten tot de postbode eindelijk eens over de brug komt..en dan moet het zeker geen ophaalbrug zijn, die omhoog staat, want dan...plons!
Ik volg het gesprek verder niet meer, maar bestel een biertje. De barman heeft ook al zo'n Meer niet shirtje van de Kecks aan. "Je kan dus eigenlijk gewoon meegenieten," veronderstel ik. "Nou, wij moeten wel werken, hoor," verzekert hij mij. Vanaf de bar kun je net het podium niet zien. Dat is wel jammer. Je hebt alleen uitzicht op de mensen die in de zithoek zitten en op de mensen die bestellen.
Vooraan wordt het al drukker. Mensen drommen tot bij het podium. Er wordt vooraf muziek gedraaid. Ik hoor een nummer van Sheryl Crow. Een jongen en een meisje staan daar op te dansen. Het meisje danst weliswaar, maar heeft geen flauw idee naar wie ze luistert en op welke muziek ze danst. Ik vertel haar iets over Sheryl Crow, onder meer, dat ik haar drie keer in Paradiso in Amsterdam ben gaan zien en een keertje op Halfway Amsterdam op Spaarnwoude (niet meer bestaand festival). Ook vertel ik Sheryl Crow al te kennen nog voor ze doorbrak. Bij aankoop van een cd in een winkel werd mij nog een gratis cd verstrekt met de titel Beyond words. Het was een verzamel-cd met artiesten van een bepaalde platenmaatschappij. Daaronder twee nummers van Sheryl Crow, waarvan een er al gauw bij mij uitgroeide tot favoriet. Dat was Father Sun. Een jaar later brak Sheryl door.
Ze draaien nog wel meer aardige muziek. Er is één nummer, waarmee men het hele publiek gek krijgt. Het is opgevuld met hoge ooh-ooh's en is voorzien van een vrij simpele gitaarbase. Je hoort iedereen meezingen:

"ooh-ooh...ooh-ooh..ooh-ooh..". Er zitten ook woorden bij en in de verte doet het nummer denken aan Nirvana in de tijd van Smell's Like Teen Spirit. Ik ga maar eens natrekken, welke groep dit is. Twee mensen weten het niet. De derde houdt het op Blur.
"Dat kun je ook echt op zijn Haags uitspreken," zeg ik tegen iemand. Die demonstreert het al gelijk: Bluâh! En dat daar in Haarlem!
Het is druk vooraan. Vooraan staat een meisje, dat ik meen eerder gezien te hebben, maar waar? Ach ja, natuurlijk. In Delft. Zij bezocht ook de Kecks in Speakers. Ze had toen ook twee van die vlechten in het bruine haar. Ze had toen iets roods aan, maar lijkt nu hetzelfde kledingstuk weer aan te hebben.
Ik schuifel door de menigte voorzichtig naar haar toe. Met veel geduld loop ik langs iedereen en weet me bij haar in de buurt te proppen.
"Volgens mij heb ik jou al eens eerder gezien," begin ik tegen haar.
"O ja?" vraagt ze, niet wetend waar ik op doel.
"Volgens mij was je er in Delft ook bij, in Speakers. Je was toen ook bij de Kecks."
"Ja, dat klopt."
"Ga je naar alle concerten van ze?" vraag ik.
"Zo goed als," antwoordt ze.
"Ik ben er nog in Utrecht heen geweest," vertel ik.
"Ja, daar was ik ook bij," zegt ze.
"Ik had alleen een beetje een probleem om er naar toe te komen," vertel ik. In het kort maak ik duidelijk, dat, hoewel ik een kleine twee uur van tevoren in een trein naar Utrecht stapte, ik pas om tien minuten voor half tien, een kleine drie uur na gepland vertrek, Tivoli binnenstapte, als gevolg van een stroomstoring op Den Haag Centraal. De reis verliep met de bus naar Leiden, waar ik op een trein naar Utrecht ben gestapt, maar die liet een tijd op zich wachten en was nog een stoptrein ook. Een meisje vertelde mij, dat de verbinding tussen Leiden en Utrecht met de trein om te huilen is.
"Woon je hier ergens in de buurt?" vraag ik, lettend op haar bezoekjes aan Delft, Haarlem, Utrecht...
"In Amsterdam," zegt ze. Ze verraadt bijna niets van een accent.
"Ken je de Sarphatistraat?" vraag ik.
Ze knikt. Wie in Amsterdam kent die niet?
"En ken je de Czaar Peterstraat?" vraag ik, refererend aan een van de oudere liedjes van de Tröckener Kecks.
Nee, die kent ze niet.
"De Czaar Peterstraat ligt precies in het verlengde van de Sarphatistraat," leg ik uit. "De Sarphatistraat is nogal lang. Ik woonde ruim twintig jaar geleden in het voorste stuk, bij het Weesperplein. Als je de straat vanaf dat punt helemaal uitloopt, helemaal naar achteren toe, dan krijg je eerst de Cruquiuskade en dan na een poosje de Czaar Peterstraat. Tussendoor zie je nog een vrij breed spoorviaduct.
"Ik woon in de Rivierenbuurt," zegt ze." "Dat is dus in Zuid." "Volgens mij is dat er ook niet zo allemachtig ver vandaan," opper ik. Ik heb nog wel eens op de kaart gekeken.
Ze bevestigt het. Hoewel ze dat misschien niet had hoeven doen. Want weet ik eigenlijk wel wat ik zeg? Beide straten, Sarphatistraat en Czaar Peterstraat liggen tegen Amsterdam-Oost aan. De rivierenbuurt moet, gelegen in Amsterdam-Zuid, er nog wel een eindje vandaan liggen, gelet op de lengte van deze twee straten. Maar op de kaart lijkt alles zo dicht bij elkaar te liggen.

"Ga je er in Paradiso ook heen?"
Ze knikt en zegt ja met een gezicht alsof dat niet meer dan vanzelfsprekend is. "Daar kan ik zelfs met de fiets heen."
"Ik ga er niet heen," zeg ik vastbesloten. "Het is uitverkocht en het is in de kerstweek. Daardoor kon ik nog mooi iets anders regelen. Hetzelfde geldt voor LVC in Leiden op 30 december. Al veel sneller uitverkocht. Valt in dezelfde kerstweek."
"In Leiden ga ik er ook heen," zegt ze. "En in Leusden ook."
"Waar ligt dat precies?" wil ik weten.
"Bij Utrecht," antwoordt ze.
"Mm. Toch dichterbij dan ik dacht. Maar ja, dat valt weer in dezelfde Kerstweek. Nee, deze week moet maar het laatste zijn. Dit concert. Zaterdag nog Dordt en dan is het doei!"
Ze bezoekt dus nog alle resterende optredens van de Kecks. Een jongen komt er bij staan. Hij hoort bij het meisje. Ze bespreken samen iets. Op een gegeven moment meng ik me er tussen. Er valt me nog iets op aan het meisje. Het rood, dat ze in Delft aan had, heeft ze ook nu weer aan.
"Je was in Delft precies hetzelfde gekleed als nu," zeg ik. Ze lacht. "Ik heb heel vaak rood aan," zegt ze.
"Ik heb haar in Delft bij de Kecks gezien," verduidelijk ik de jongen. "Ze zegt net dat ze alle resterende concerten van de Kecks ook bezoekt."
"Let jij alleen op dames?" vraagt de jongen me. Oei, een gewetensvraag zo lijkt het. "Ik was er namelijk ook."
"O, ik kan me echt niet herinneren, dat ik je gezien heb," red ik me er uit. "Het is echt puur toeval. Ze stond valk bij me in Delft. Zo hectisch was het wel daar. En het is echt toeval dat ik het nog weet, want in principe was ik het vergeten."
De jongen plaagt alleen maar. Hij begrijpt best, dat ze vooral door het rood en haar vlechtjes opvalt. Bovendien heeft ze ook een heel opvallend gezicht. Niet echt knap. Niet lelijk ook, overigens. Maar wel opvallend. Het zal door de make-up komen. Ik weet er nog een. Als ze toch uit Amsterdam komen, zijn ze er in Amstelveen zeker ook bij geweest... En dat klopt ook.
Het wachten wordt beloond. De heren komen op het podium. Gerben, Theo en Rob als eersten. Daarna Phil. Bij Phil steekt er nog iets uit zijn mond. Daar komt nog rook uit ook. Speelt niet makkelijk, lijkt mij, met een sigaret in je mond. Bij de meeste concerten van de Kecks zie je, dat Rob er ook een handje van heeft. Wat zegt u? Een hàndje? En dat terwijl je je handen er juist niet bij gebruikt. Die gebruik je voor het bespelen van je instrument.
Rick is de laatste die opkomt. Wederom kijkt hij goedkeurend de zaal rond. De eerste tikjes met de sticks klinken. Het eerste nummer is Niemand thuis. Wat goed is komt snel heeft afgedaan. De enigszins melancholieke muziek van het mooie nummer vult de zaal. Het publiek luistert, maar die zingen kan en de woorden kent, zoals ondergetekende, zingt mee.
De nadruk ligt in het begin weer op het laatste album. De tour heet Meer niet, dus wat is er duidelijker dan een nummer te laten beginnen met de markante vierkwartspercussie van het gelijknamige nummer, waarin ook nog eens een koebel moet zitten? Hou toch op met dat gezeur…het was vroeger echt niet beter…je bent het meeste weer vergeten…en van de rest weet je niets meer…oh nee?…'t Zal wel weer niet zo bedoeld zijn…maar het klinkt of ik de schuld heb…of ik het veel te lang geduld heb…Dan komt uiteindelijk ook het refreintje want één is teveel, honderd te weinig, vraag me niet hoe het zit…het is zoals het is en meer niet…Verderop horen we in de strijd tegen verveling wordt de hele boel gesloopt, vraag me niet hoe het zit…het is zoals het is en meer niet…meer niet…nee meer niet…
Prachtig muzikaal omlijst door onder andere toetsen. Het publiek geniet en gaat uit zijn dak. Het wordt hectisch vooraan. Mensen worden heen en weer geslingerd. Mensen, die gewoon willen luisteren en verder geen geouwehoer duwen mensen, die al te baldadig worden weer weg. Er is geen houwen meer aan. Vooraan gaat iedereen uit zijn pannendakje. Nog meer nummers in een nog sneller tempo volgen, zoals Souvenir, dat ik ook nog in de walkman hoorde, toen ik nog maar op de Kruisweg was. Hier is het publiek helemaal niet meer te houden. En de Kecks gaan nog even door. Met Hart En Ziel ontbreekt ook niet en evenmin Welkom op het feest.., hoewel die er wat later bij zit en Rick de gelegenheid geeft het hooggeëerd publiek te laten zien en horen, waar hij op de mondharmonica allemaal toe in staat is. De langzamere nummers worden niet vergeten. Veel te veel water met het prachtige op de piano gespeelde introtoonladdertje wijst naar de sterren, die overigens niet op de achterwand te zien zijn, zoals ruim anderhalf jaar eerder in Dordt. Zou je niet tegenstaande de recen-te gebeurtenissen..wordt vanaf dit punt weer door het voltallige publiek meegescandeerd.
Maar voor het publiek de gelegenheid krijgt de regel helemaal uit te schreeuwen, begint Rick natuurlijk weer opnieuw. Na drie of vier keer, waarin de regel maar een keer helemaal wordt uitgesproken, zet de muziek in en zingt Rick de coupletten. Het refreintje wordt door het publiek meegezongen en is ook in Haarlem keurig uit het hoofd geleerd. Ik zie mij genoodzaakt door de hectiek toch maar wat naar achteren te verkassen en daar het restant van het concert te gaan zien. De camera's, die er in Utrecht nog bij waren, ontbreken nu. Pas zaterdag zal duidelijk worden, waar al dat camerawerk in Utrecht voor nodig was.
Na het nummer zingt Rick nog eenmaal Zou je niet tegenstaande de recen-te gebeurtenissen..Het publiek vult aan met …toch nog een verblijf op amoureus in overweging willen nemen alsjeblieft…"Dank je wel!" roept Rick en het volgende nummer wordt ingezet. Nummers als Een dag zo mooi, Nu of nooit, Hakken in het zand en Niemand danst alleen komen er snel uit. Het publiek gaat driftig heen en weer. Bij De Jacht Is Mooier Dan De Vangst komt weer het mooie showstukje vooraf met de drums en de fles Spawater. Het showstukje wordt van helwitte belichting voorzien van een lamp, die bij het drumstel staat en eventueel aangevuld met een andere helwitte lamp uit de normale belichting. De Leeuw en Van Zandvoort nemen uit de drumsolo het ritmisch klappen voor de microfoon weer over. Ondertussen krijgt Iebelings ook nog een douche en steekt hij zijn tong uit om zich aan het water te kunnen laven. De weg naar De Jacht Is Mooier Dan De Vangst is snel gevonden. De woorden worden zo snel na elkaar gezongen, dat meezingen bijna onmogelijk is. Ik Denk Nooit Meer Aan Jou leidt weer tot deelname door het publiek, dat massaal Nooit Meer Aan Jou er achteraan zingt. Dat er echt sprake is van massaal nadoen bewijst het moment, waarop Rick een coupletje zingt, waarbij het meezingen door het publiek nog aan het wegsterven is.
"Daar zit-ie..op drums! Gerben Ibelings!" Het voorstellen van de band is begonnen.
"Daar staat-ie.." Het voorstellen van de band wordt aangevuld met de stelling, dat Rick hier, in deze stad "geboren is geworden." Vervolgens stelt hij, dat dat een gebeurtenis is, die een ieder van ons ooit is overkomen (zij het niet allemaal in dezelfde plaats). "En ik moet zeggen…ik wandel nog wel eens zo rond, hier en daar…en hoe vaker ik dat doe…hoe meer ik tot de conclusie kom…het begint te wennen….voor wat het waard is dan, ja!" Langzaam en aarzelend is Rick bezig een lange jeugdperiode in Haarlem van een korte, liefst in één zin verpakte relativering te voorzien. Vervolgens breit hij een lange zin, die uitmondt in "Dat ben jij…en jij…en jij…en jij…en jij ook…en jij…en jij en jij en jijen jijen jijen jijen jijen…." Hoofd voor hoofd wordt nu het gehele publiek afgewerkt. Na een korte pauze is het dan tijd voor de toegiften, waaronder Redding en Dichterbij dan ooit. Tijdens de toegift wordt de leden van de band een bosje bloemen uitgereikt. De meeste bossen verdwijnen in het publiek, waarbij Rick eerst begint zijn eigen bos bloem voor bloem te ontleden en aan verschillende mensen in het publiek uit te delen. Denk nu niet, dat dat alleen dames zijn. "Nee, ik had hem eigenlijk voor die lelijke vent daar bedoeld!" Dit kan niet zonder de nodige plagerij en ironie. "Voor jou neem ik de volgende keer wel een parfummetje mee." Als dan eindelijk het allerlaatste lied gezongen wordt, dat Trek je jas aan heet, geeft Rick ons nog een goed advies namens de totale band en de totale crew en het totale zaalpersoneel (vergeet vooral de garderobe niet) mee: "Trek je jas aan…want het wordt ongemeen koud de komende tijd…" Ook weer een boodschap met een dubbele bodem.

Het podium is leeg. De zaalverlichting is aan. Er staat een deejay plaatjes te draaien. Ik ben bezig met een meisje, dat een boeketje gekregen heeft en te kennen geeft er voor het eerst bij te zijn geweest. Het hoeft voor haar nog niet de laatste keer te zijn, want ze woont in Dordrecht. "Dan moet je er zeker nog een keer heen!" roep ik enthousiast. "Want zaterdag spelen ze in Bibelot. Ik weet niet of het al uitverkocht is, maar bel even van tevoren." Meer kan ik niet voor haar doen. Onder de gedraaide muziek herken ik The weight van The Band. Mooier wordt het om een meisje, samen met haar vriend, maar vooral haar, uit haar dak te zien gaan bij Suffragette City van David Bowie. En ook wordt er plotseling weer eens een ouwe gedaan van The Beach Boys. I Get Around in Paradiso, Barbara Anne in Tivoli en nu Surfin' USA. Op deze manier kun je nog eens een legende in stand houden. Ik vervolg mijn weg naar de garderobe, want het is inmiddels al na twaalven geworden en ik moet mijn jas nog ophalen. Ik zie nog het rode meisje uit de Rivierenbuurt met drie witte bloemetjes, die ze van ome Rick heeft gekregen. Ze schudt het hoofd met de twee vlechtjes eens, zo van "Tja, dat valt me zomaar ten deel."
"Ben je er in Dordt ook bij?" vraag ik haar.
"Natuurlijk," antwoordt ze.
"Dan zie ik je daar wel..misschien." Vooral dat laatste laat ik niet na er achter te zeggen.

Het is dringen bij de garderobe. Daar kom je nog niet zomaar doorheen. De klok kruipt dreigend naar het moment van half een, het moment dat ik toch zeker buiten wil staan om in de kou het station op te zoeken en de trein van uiterlijk een voor een te halen. Ik zie een jongen staan met zowel vinyl singletjes als cd-exemplaartjes. Ik kan het plagen weer niet laten. "Zo, zo, elpees, ceedees, zeker ook een studio thuis!" "Nee, dat nog net niet." "Ook geen Mercedes voor de deur?" "Nee, ook niet." "Toch kan je wel zien waar het geld zit. De Barteljorisstraat zeker verkocht met Monopoly. Wel een instrument in huis?" "Ja, een gitaar en een drumstel, maar ik speel zo verschrikkelijk slecht, joh!" De jongen wil nog wel meer zeggen. Maar het schiet al op in de garderobe, zij het voetje voor voetje. De wijzers van de klok kruipen verder. Opschieten, want ik wil mijn trein nog halen.
Een meisje komt terug. "Ik heb de verkeerde jas gekregen. Ze hebben me de verkeerde jas gegeven. Mag ik even voor?"
Nou, op zo'n goed onderbouwd verzoek kan niemand nee zeggen, natuurlijk. De vrouw achter de garderobe neemt de jas weer in en zoekt in een langgerekte, brede, uitpuilende rij van jassen naar de juiste jas. Daarbij af en toe het meisje wat vragend.
"Had je 61 of 91?" vraag ik spontaan. Niet meer dan een plaagstoot, want om echt om te keren, moet ik bij het omgekeerde getal eigenlijk 16 of 19 gebruiken.

"Ik geloof 325," zegt het meisje. "Mijn vriend had de nummertjes. Ik zou het zo uit mijn hoofd niet weten."
Het duurt nog wel even bij de garderobe. Eerst bij het meisje dat de verkeerde jas kwam terugbrengen en nu wacht op de goede. Als ze die eenmaal heeft is het wachten op de anderen, tot zij hun jassen hebben gekregen. Hierna lukt het me eindelijk om nog bijtijds mijn jas en tas te krijgen. Ik loop eerst naar buiten met het risico dat ik kou vat. Toch doe ik daar pas mijn jas aan. Over de brug loop ik richting centrum en loop in de richting, waarvan ik denk, dat dat het station is. Ik loop een zijstraatje in. Een groepje jongeren loopt me tegemoet. "Loop ik zo goed naar het station?"
Een meisje wijst precies in de richting, die ik niet verwacht had, maar die er wel toe leidt, dat ik de Grote Markt bereik. Bij het oversteken naar de Barteljorisstraat zie ik in de verte Laurens Janszoon Koster mij groeten. Hij is mij nog niet vergeten na die date in Haarlem. Naast hem was de ontmoetingsplaats.
Onderweg zie ik een man met een wit overhemd aan, die zojuist zijn jas uitgetrokken heeft. Die is dus duidelijk niet naar de Tröckener Kecks geweest. Hij hangt zijn jas over zijn vriendin heen. Als ik hem hierover aanspreek, blijkt hij ook nog buitenlands te zijn en gebrekkig Nederlands te spreken, dus waarschijnlijk heeft hij geen idee, wat Trek je jas aan in zijn eigen taal is. Ruim op tijd bereik ik het perron, waar om 00.58 een trein naar Den Haag Centraal moet vertrekken. Ik ga op de bruine houten bank tegen de perrongevel aan zitten. Links van me zit nog een meisje, lekker dik ingepakt. Rechts staat een meisje te bellen. Als het gesprek beëindigd is, komt ze naast het andere meisje zitten en babbelt met haar. Een trein komt aangereden, maar dat blijkt niet de trein te zijn, waar we in moeten stappen. Die laat nog even op zich wachten. Op een ander bankje zit een groepje jongeren te wachten op de trein. Een heeft een opgerolde poster bij zich, waar een elastiekje omheen gewonden is.

"Zo, poster gekocht?" roep ik naar ze.
"Ja," zegt de eigenaar en rolt hem even uit. De concertposter van 't Patronaat is te zien.
"Vond je het goed?" vraagt een meisje naast de jongen, die ondertussen zijn poster weer oprolt.
"Ik vond het reuze!" roep ik. "En jij?"
"Nou," zegt het meisje aarzelend. "Ik vond het eigenlijk niet zo goed. Sterker nog: ik vond het helemaal niet goed!" Pats! Het meisje krijgt een mep met de opgerolde poster van haar buurman. "Jij mag nooit meer mee naar de Kecks!" plaagt hij.
De trein waar we mee terug moeten, moet eerst om de trein heen, waar niemand in mag stappen. Hiervoor is het nemen van een wissel nodig. Daarna moet even snel naar voren gelopen worden.
In de trein zit ik schuin achter een groepje jongeren van buitenlandse afkomst. Ze lijken Spaans, maar de twijfel overheerst. We zitten boven en aan de blauwe draaiknopjes naast het luchtrooster is te zien, dat daar nog lucht uit komt. Het vriest op dit moment, dus het zou wel goed zijn, als de blauwe knopjes naar een grijs niveau gedraaid worden. Bij mij is dat geen probleem. Het rooster voor me is echter zo zwart geblakerd van het roken, dat een van de Spaanse meisjes het knopje niet naar beneden gedraaid krijgt. Ik probeer het ook eens een keer, maar krijg het ook niet voor elkaar.
"Helemaal vastgerookt," constateer ik.
"It's all right. Thank you," zegt het meisje.
De trein rijdt Den Haag Centraal binnen. Door de kou loop ik naar het Haagse centrum, waar ik de Papestraat opzoek om te kijken of De Paap nog open is. Ik kijk door het caferaam: helaas: de stoeltjes staan omgekeerd op tafel en achterin brandt de helwitte verlichting.
"Hij is licht en dicht," rijmt een jongen naast mij.
Ik loop weer verder. Naast Lokaal Vredebreuk hangt een schoolbord, waar met witte krijtletters op geschreven staat: KOUD HÉ?

Leesvoer