Recensie van het concert in Bibelot Dordrecht, door Anjo v/d Wal

Bibelot
3 Februari. Naar de Tröckener Kecks in Dordt. In navolging van ongeveer een jaar geleden ga ik het maar weer proberen. De laatste keer dat ik de groep zag optreden zal ongetwijfeld in Naaldwijk zijn geweest en dat was al niet overdreven dichtbij. Met de trein ga ik er deze keer maar weer eens heen. Op de heenweg zit ik in een Duitse trein met zes zitplaatsen per coupe. De inrichting is in melancholisch bruin en beige. Niet echt iets om vrolijk van te worden. De conducteur lacht. Hij heeft een Limburgs accent. De trein gaat namelijk naar Heerlen. Hij zegt, dat je hier nog beter in kan zitten als in een Belgische trein. Het zullen profetische woorden worden.

Eenmaal in Dordt moet ik via een brede trap aan de buitenkant van het station naar beneden. Ik probeer een taxi, die naast de stoeprand staat aan de voorzijde van het station, maar er wordt me duidelijk gemaakt, dat ik de voorste taxi moet nemen. Langs de rij taxi's langs de stoeprand loop ik naar de voorste taxi, onderwijl allerlei chauffeurs in verschillende gedaantes ziend. Een ligt er te slapen. Een ander leest de krant. Anderen zijn in gesprek met hun collega. De voorste lijkt al een passagier te hebben. Iemand anders maakt me duidelijk, dat deze "passagier" een collega is, die zich uit de voeten maakt als ik in wil stappen. Warempel...
"Ik moet naar Bibelot, weet u dat te vinden?"
"Bibelot? Die ouwe kerk? Jazeker, stap maar in."
Eenmaal in de wagen maak ik mijn gordel vast. De taxichauffeur pakt zijn autotelefoon. "Hee, Maarten!"
Geen antwoord.
De chauffeur rijdt door. Probeert het daarna nog eens door de telefoon. De meter tikt ook door.
"Hee, Maarten!"
Het duurt nog even, maar dan is er ook response.
"Ja, zeg het maar!"
"Ik moet naar Bibelot, dat is toch die ouwe kerk in de Voorstraat?"
"Wijnstraat 117," is het antwoord.
We rijden een stukje door de stad. De winkels zijn dicht. Ik babbel wat met de chauffeur. Ik leg uit wat ik in Bibelot ga doen. De chauffeur schetst een majestueus beeld van Bibelot dat wel klopt met de werkelijkheid. Twee keer denk ik dat ik er al ben, twee keer mis. Als we er eenmaal zijn, betaal ik de chauffeur en kom tot de ontdekking, dat het nog maar zeer de vraag is of ik wel voldoende contanten bij me heb om een kaartje te kopen. Bij de kassa wordt dat even uitgeteld. Ik red het net. Ik loop naar binnen. Via een metalen trap kom ik in de garderoberuimte, maar dan blijkt dat ik nog niet eens fl. 1,50 heb om mijn jas op te hangen. De garderoberuimte kan alleen gebruikt worden na overlegging van een consumptiebon, net als een drankje aan de bar. Ik besluit het anders op te lossen. Naast het podium staan wat stoeltjes, waar je op kan zitten. Ik leg daar zolang mijn jas neer en tijdens het concert hou ik wel even een oogje in het zeil.
Dan moet ik wel aan de voorkant staan. Dat is op het moment nog geen probleem, want Vals Licht staat nog op te treden. Vals Licht is een groep, bestaande uit een zanger/gitarist een tweede gitarist, een bassist, een drummer en een kalende toetsenist met een Replay shirt aan, dat hij speciaal voor vanmiddag gekocht heeft, althans, dat zegt de zanger, die het voortouw in de presentatie neemt. Zeker vanmiddag aan het winkelen geweest in Dordt. De toetsenist wordt een "ladykiller" genoemd, maar overdrijven is en blijft een kunst.
Voor mij is het de eerste keer dat ik de groep aanschouw, maar als ik om me heen kijk, zie ik, dat enkelen zelfs de woorden mee kunnen zingen. Deze band heeft zijn sporen al verdiend, zo lijkt het.
"Gaaf, man!" roept iemand achter mij. Hij ziet er niet ouder uit als een jaar of veertien.

Ik haal mijn schouders maar eens op. Ik zie slechts het staartstuk van het optreden. Het zegt me niet veel. Waar ik voor gekomen ben, komt straks. Ondertussen zit ik mijn dorst op te schorten, want geld om naar de bar te gaan, heb ik niet. Ik bof wel, dat ik tijdens concerten bijna geen geld uitgeef. Zelfs het roken neig ik dan te laten. Ik concentreer me dan uitsluitend op wat zich op het podium afspeelt. Als de band weg is, is het wachten op de Tröckener Kecks. Ik let nog even op mijn jas en zie niet, wat er boven mijn hoofd hangt. Ik probeer de stemming onder het publiek te peilen. Dat lukt slechts bij enkelen. Er is een meisje met donker, enigszins krullend en opgemaakt haar (zo te zien), dat wel een aardig klankbord is.
"Zij is de Kecksoloog," wijst ze naar een omvangrijker en corpulenter meisje met kort vlammend haar en een leuk lachegezicht. Achter hen lijkt hun moeder te staan. De Kecks bestaan ook alweer zolang (twintig jaar), dat ook hier twee generaties vertegenwoordigd kunnen zijn. Ik heb mijn Dijk-t-shirt aan. Als dan de nieuwste hit van De Dijk gedraaid wordt, wordt het meisje met het donkere haar ineens enthousiast en gaat wild op en neer dansen, mij daarbij vrolijk aankijkend. Pas later zal ik me realiseren, dat dat door mijn t-shirt komt en een echte bevestiging heb ik daar nooit van gehad.

Sommige dames worden nog betrapt op "Anouken".
De groep komt op. Het publiek wordt enthousiast. Op de plek, waar ik sta, wordt het druk en vol. Ik sta tegen iedereen aan. Mensen dringen naar voren. De stemmig in het zwart geklede Rick de Leeuw kijkt goedkeurend de zaal rond. Als iedereen zijn instrument gevonden heeft (ook De Leeuw), komt het eerste liedje.

Niemand thuis
De wind jaagt wat huisvuil
Langs de gevels van de stad
Roemloos einde van een reis
Wie een huis heeft gaat naar huis
Het is moeilijk hier te blijven
In weinig meer dan dorst alleen
De stad is dicht
Gaat morgen laat weer open
Komt hier naartoe gekropen
Met een waarheid waar niemand nu op wacht
Vergetelheid huist
Waar de lichten gaan doven
De donkere zijde van het jaar
Een hond jankt in de verte
De soundtrack van de nachtwie het hoort, neuriet onontkoombaar mee
Niemand wil het horen
Deze waarheid waar niemand nog op wacht
Waar zijn ze nu?
Waar zijn ze gebleven
De vrienden voor het leven
Ze geven een voor een niet thuis vannacht.
Reddeloos alleen
Schepen zonder haven
Jagers blijken meer en meer de prooi
Allang niet meer op jacht naar de gedroomde avonturen
De man met de hamer
Vraagt het houten hoofd ten dans
Maar niemand wil het horen
Deze waarheid waar niemand nu op wacht
Waar zijn ze nu?
Waar zijn ze gebleven
De vrienden voor het leven
Ze geven een voor een niet thuis vannacht

Voor mij is een stelletje, dat naar voren gedrongen is en nu de krullenbol in de weg staat. Ze zijn nog wel zo vriendelijk om haar naar voren te laten komen. Intussen doen de Kecks het tweede nummer en zit de stemming er goed in. Bij het derde nummer rijst bij meningeen twijfel over waar we nu weer naar luisteren En ook ik krab me even achter de oren (kennelijk heb ik daar jeuk). Wanneer de eerste woorden hoorbaar zijnd, gaat niet alleen bij mij een belletje rinkelen, maar ook bij enige anderen..

Czaar Peterstraat
Er valt regen in mijn beker
Uit een lek in het plafond
Tijd voor een wandeling in de buurt
Waar het altijd ruikt naar bloemenwater
Straten veel te smal voor zon
Het waait er ook al waait het niet
Een leeshal vol met oude bladen
Waar toch nooit een mens iets koopt
Panorama's achter glas
In een straat waar je automatisch fluistert
En vlak langs de huizen loopt
Maar ik loop in het midden en ik zing
Er is maar een goede reden om nog hier te blijven
Een goede reden om niet weg te gaan
Een goede reden dat ben jij
Ik bestel een oude koffie
In de snackbar en zie daar
Iedereen zit weer op zijn plek
En praat weer eens over verhuizen
Dat doen ze hier al twintig jaar
Maar zij gaan toch nooit weg, ik wel
Er is maar een goede reden om nog hier te blijven
Een goede reden om niet weg te gaan
Een goede reden dat ben jij

Tijdens het zingen van het lied door de groep blijken nog wel wat mensen te zijn, die aan anderen vragen, waar ze precies naar luisteren. Aan mij wordt gevraagd, van welk album dit liedje komt. Het antwoord voor mij is simpel De Jacht.
De Jacht is de eerste plaat aan wie ik herinneringen bewaar aan de Tröckener Kecks: radio-interview uit 1989, waarin dit nummer ook gedraaid werd en uitgelegd wordt, wat de aanleiding was om over juist deze straat in Amsterdam een liedje te schrijven. Het antwoord was simpel: intrieste straat. Daar zou Heartbreak Hotel gestaan kunnen hebben, was toen de quote. Degene, die toen interviewde, Kees Baars, had hieraan genoeg, want die kende, komend uit Amsterdam-Oost, de Czaar Peter Straat. Ik bezocht Amsterdam toen nog wel eens, o.a. ook de Czaar Peterstraat, die niet ver af is van de straat, waar ik zelf gewoond heb in Amsterdam: de Sarphatistraat. In de etalage van Boudisque, platenzaak in de Haringpakkersteeg, bij het Damrak, hing de hoes van De Jacht met de mededeling: nieuwe lp van de Tröckener Kecks.
Hebben de Kecks meer van dergelijke oudjes? Gaat wel. Als we het over De Jacht hebben, kom je al gauw uit bij De Jacht is mooier dan de vangst en die wordt zeker gedaan. Bij het onderstaande lied moet, mede gelet op het afwijkend intro, ook even nagedacht worden.

NU OF NOOIT
HET SCHEMERT IN DE KAMER EN MARVIN GAYE ZINGT ZACHT
ZE SCHENKT WAT WIJN IN EN ZE LACHT NAAR MIJ
WE ZITTEN SAMEN OP DE BANK IK SCHUIF WAT DICHTERBIJ
EN IK PRAAT OVER VOETBAL MAAR ZIJ WEET WAAR IK OP WACHT
IK WILDE EERST NIET KOMEN IK DACHT WEER ZO'N ZELFDE FEEST
VOL SAAIE MENSEN IK DRINK WEL ALLEEN
MAAR IK KWAM TOCH IK ZAG JOU MENSEN GINGEN EEN VOOR EEN
EN IK KREEG DAT GEVOEL WEER DAT ZO LANG WAS WEGGEWEEST
WIJ TWEEEN HIER SAMEN
DIT KON WEL EENS HET BEGIN ZIJN
VAN ONS TWEEEN WIJ SAMEN
HET HANGT IN DE LUCHT ALS NU MAAR
EEN VAN ONS, ONS TWEEEN
ZEGT WAT ER GEZEGD MOET WORDEN HIER
NU OF NOOIT
IK ZOEK WANHOPIG NAAR DE WOORDEN DIE IK ZEGGEN WIL
EN IK WEET DAT JIJ HETZELFDE DOET
DE TIJD VERSTRIJKT WE WETEN DAT HET NU GEBEUREN MOET
TOCH ZEG IK NIETS EN BLIJFT HET ANGSTIG STIL

Hier krijg ik langzaamaan het gevoel, dat Rick de Leeuw een duetje zingt met iemand, die hij onderweg verloren is. Vandaar de reden misschien, dat hij dit alleen zingt. Hoewel.. alleen.. Die zingen kan en zingen wil en de woorden kent, nou die zingt ook wel mee, hoor. Daarvoor is het dan allang beweeglijk geweest onder het publiek en moet de een opzij voor de ander. Ik kijk nog eens of mijn jas er nog ligt en blijf dan aan de zijkant bij het speakergedeelte staan. Dat merk ik erg goed aan mijn oren, maar ook aan wat uit de luidsprekers komt, als de groep effe niet speelt. Je hoort het publiek en als Rick met gitarist Philip Tilli overlegt, kun je dat ook goed horen. De groep komt nog terug voor een paar toegiften. Voor één daarvan zijn ze nog in Aalsmeer geweest...

PARADIJS
IK HEB BLOEMEN VOOR JE MEEGENOMEN
EN IK DWING MEZELF TOT EEN KUS OP JE GEZICHT
IK LIEG DAT JE ER BETER UIT ZIET
EN JE GLIMLACHT IN HET BLEKE LICHT
EEN MAN OMHELST ZIJN VROUW EN ZE GAAN ETEN
IN EEN WONING AAN DE OVERKANT
DAAR TE MOGEN WONEN VOOR EEN AVOND
EEN AVOND ALS ALTIJD NIETS AAN DE HAND
IN HET PARADIJS
WE ZEGGEN NIET TERZAKE DOENDE DINGEN
WAT IS DE KOFFIE HIER GOEDKOOP
HET BEZOEK WIL DOLGRAAG AFSCHEID NEMEN
EN IK HAAT MEZELF ALS IK NAAR BUITEN LOOP
IK KIJK NAAR DE STERREN
KIJK NAAR DE MAAN
ONVERSCHILLIG IN HUN EEUWIG BESTAAN
OOG IN OOG MET WAT ALTIJD ZAL ZIJN
HET MAAKT HET ZO GROOT
ZE MAKEN ONS TE KLEIN
VOOR HET PARADIJS

"Vijf gulden per pak!" roep ik naar een meisje als de groep bij de regel WAT IS DE KOFFIE HIER GOEDKOOP komt. Dat is vast niet waar. F 3,46 is genoeg, maar het gaat om de humor. Over de bloemen die meegenomen zijn, zeg ik dat ze op de hals van de basgitaar van Theo Vogelaars te vinden zijn. Aan het eind daarvan is inderdaad een rijtje papieren rode bloemen te zien van een onbekend merk. Fraai lied dat erg op het gemoed inwerkt en dat ik al ken sinds 1995, toen ik de groep in het Vondelpark zag optreden. Dat was twee jaar voor hij op de voorlaatste Kecksplaat Dichterbij dan ooit verscheen. Het publiek wordt ook gelegenheid geboden mee te doen.
Rick buigt zich met zijn microfoon iets voorover naar het publiek, die, direct nadat hij begint, de volgende zin met hem meebrult:
"ZOU JE... NIETTEGENSTAANDE... DE RECENTE GEBEURTENISSEN... TOCH NOG.. EEN VERBLIJF..OP AMOUREUS.. GEBIED..IN OVERWEGING.. WILLEN.. NEMEN..ALSJEBLIEFT?" Deze oefening wordt nog herhaald. Na een enthousiaste betuiging van De Leeuw wordt het nummer ingezet. We horen het publiek zingen "in overweging willen nemen alsjeblieft!" "Dank je wel!" roept De Leeuw. Het publiek krijgt nog een kans. Dit keer in de in canon meegezongen nu al reeds klassiek geworden uitsmijter Ik Denk Nooit Meer Aan Jou

"Natuurlijk denken we wel aan jullie! Zeker als je in zulke grote getale hier naar toe komt! Dan denk ik aan jou aan jou aan jou aan jou aan jou aan jou aan jou en aan jou natuurlijke n aan jou ook aan jou en aan jou aan jou" Rick gaat de hele zaal af. Als hij die helemaal gehad heeft, hapt hij pas naar adem. Als ik denk dat het afgelopen is, loop ik naar de zijkant, pak mijn jas, controleer of alles er nog in zit en constateer tot mijn spijt, dat er haakjes aan een gele stang zitten, waar ik mijn jas ook aan op had kunnen hangen. Te laat dus. Ik verlaat de zaal en hoor ondertussen de groep nog terugkomen. Maar ik kom niet terug. Ik ga door de dubbele deuren echt weer naar buiten. Geholpen door één van de mannen van het portierslogement. Dan loop ik in de stille donkere straat op weg naar het station in de hoop het te zullen vinden en graag voor enen.

Op het perron van het Dordtse station stap ik een trein binnen, waar als eindbestemming Breda op staat. Ik moet naar Rotterdam (de aansluiting naar Den Haag volgt later wel). Ik vraag eerst aan een man of dit de trein naar Rotterdam is. Hij kan me het antwoord niet geven. Ik stap de trein in en zie een jong meisje aan wie ik het ook vraag. Vanaf dat moment heb ik ineens een gesprek met haar. Achter haar staat haar mountainbike, waar ze de rest van de rit naar huis mee af zal leggen. Het mooiste komt nog: er komt een Belgisch meisje bij, dat uitstekend Nederlands spreekt en aan wie niet te horen is, dat ze Belgisch is. Toch zegt ze uit Oostende te komen, waar in zijn laatste levensjaren Marvin Gaye ook nog korte tijd gewoond heeft.
Peter Pontiac, een tekenaar, wiens creaties nogal eens in OOR verschijnen, tekende Marvin Gaye uit in trainingspak, ruim bemeten in zijn flat, fiets tegen de serredeuren, kousen over een stoel, door het raam de vrij opvallende boulevard van Oostende (met ronde gebouwen). Gaye zelf zat aan een tafel, met zijn slanke lenige vingers een zak patat vasthoudend. Met duim en wijsvinger van de andere had hij net een frietje gedoopt in een lik met mayonaise, die in schier omgekeerde richting als een muts aan het frietje kleefde. Gaye zat op het punt het maaltje te verorberen. Pontiac heeft meer van die getekende creaties die tussen kunst en grappigheid in zitten.
Het Belgische meisje nu, is op weg van haar werk in Dordrecht naar Rotterdam, waar ze woont. Het andere meisje is trouwens een echte Brabantse, hoewel dat niet heel erg te horen is. Opgegroeid in Lage Zwaluwe (bij Moerdijk) en Zevenbergschen Hoek (bij Zevenbergen), woont ze nu in de buurt van station Rotterdam-Lombardijen Ze is ook bekend met Breda, waar ik voeger in mijn schooltijd nog gewoond heb. Ik ging naar school in een grauw gebouwtje aan de Etnastraat, dat schuin aan de rijweg stond. Het meisje weet echter niet, waar de Etnastraat is in Breda. Ik probeer de omgeving te tekenen, overigens niet als Peter Pontiac. Aan de ene kant de Tramsingel met de Etna-fabriek (kooktoestellen, ijskasten, enz.), aan de overkant het twintig jaar geleden al lege pand van de Kwatta fabriek (is waarschijnlijk al weg). Aan de andere kant de weg naar het treinstation en het spoor. Ik vergeet de grote groene silo van de Suiker Unie, maar niet dat ik laatst in de trein gezien heb, dat er nu een grote autoshowroom achter de Etnastraat te zien is. Loodrecht op de Etnastraat de weg naar het stadscentrum met onderweg Huize Katja (hoerenkast), Spinoza of Spinola (bootcafé), parkeerterrein en de drie riante winkelstraten Ginnekenstraat, Karrestraat en Torenstraat, vergelijkbaar met Spui- en Vlamingstraat in Den Haag. Daarvoor nog onderweg een straatje dat Havermarkt heet, waar veel Bredase kroegen zich bevinden. Herberg De Potkan was (mede gelet op de kleine consumptieprijsjes) een klein gezellig cafeetje, waar we vaak zaten vanuit school.
Een café dichter bij de Grote Kerk en ook bij de Torenstraat is De Bruine Pij. De Bruine Pij werd nog wel eens op pagina 443 van NOS-teletekst vermeld voor een optreden van de groep Sjako! aldaar. Dat alles vertel ik het meisje lekker niet. Ik hou het bij de beschrijving van links en rechts, Tramsingel en spoorgedeelte. Ze wordt pas wakker, als ze zich realiseert dat de Lunetstraat (naar Prinsenbeek en Rotterdam) er ook vlakbij is. Het Belgische meisje merkt ineens, dat de Brabantse en ik elkaar niet eens kennen. We wekken nogal behoorlijk de schijn op zo te zien. Het is dan ook een opvallend aardig meisje, dat zich in het geheel niet lastig gevallen voelt door mijn onophoudelijk gekwek. Hoort dat bij de makkelijkheid, waarmee je met Brabanders om kan gaan? Daar heb ik vaak over gehoord, maar het is niet gezegd dat je dat nou daar in terugvindt.
Ik zeg: "Nee, we kennen elkaar niet. Ik kom binnen en ik begin te ouwehoeren." Ik heb dit best wel met veel risico gedaan, maar als de respons er eenmaal is, ga ik nog wel een poosje door, hoor!
Het Belgisch meisje vertelt, dat ze de ervaring heeft in de trein van Dordt naar Rotterdam, dat je in de regel met de meeste mensen geen aanspraak of aanknopingspunt voor een gesprek hebt en hier vindt ze precies het tegenovergestelde. We ouwehoeren nog wat over carnaval, dat door de Brabantse vast wel als vaste prik ieder jaar gevierd zal worden, ze is tensotte katholiek, maar het Belgische meisje ziet daar geen brood in. De Belgische is moe, want ze heeft een hele dag hard gewerkt, dus ze gaat op een van de treinbanken zitten. Ondertussen laat ik haar de mountainbike van de Brabantse bewonderen. De fiets is in een opvallend kanariegeel, zodat ik de Brabantse bij vertrek raad om voorzichtig te zijn.
Je zal jong meisje zijn, een gele fiets hebben en dan 's-nachts in het donker langs de bossen naar huis moeten fietsen. Je kan niet voorzichtig genoeg zijn. Zeker niet als de stad, waar je je in bevindt, Rotterdam heet. Rond en in het Centraal Station alleen al krioelt het van de ratten, die wat van je willen bietsen.
Pas als de Brabantse weg is, gaat de zaktelefoon van de Belgische af. Ze beantwoordt het gesprek in sappig Vlaams, waarbij het woord "oom" vervangen wordt door het Vlaamse "nonkel". Ze legt uit, dat ze heel gauw de streek- of omgevingstaal overneemt als ze ergens is. Omschakelen lijkt geen probleem voor haar.
In Rotterdam Centraal stappen we beiden uit. Ik neem nog de trein naar Den Haag en de Belgische gaat haarweg naar huis.

Leesvoer